Ga naar de inhoud
Let op: Om de gebruikerservaring op deze site te verbeteren gebruiken we cookies.

Werkzaamheidsgroei in Vlaanderen mogelijk van 72% naar 78,5%

Werkzaamheidsgroei in Vlaanderen mogelijk van 72% naar 78,5%

In Werk.Focus gaat Steunpunt Werk op zoek naar potentieel extra arbeidskrachten in Vlaanderen.

Werkzaamheidsgraad Vlaamse hooggeschoolden: 87,2%
De arbeidsreserve is erg beperkt in die groepen die traditioneel de voorkeursdoelgroep zijn van de rekruteerders. Onder de Vlaamse hooggeschoolden piekt de werkzaamheidsgraad al op 87,2%.

Bij de 25- tot 49-jarigen prijkt Vlaanderen op een Europese recordhoogte van 85,2%, enkel Zweden doet beter met 85,8%. De favoriete vijvers zijn dus zo goed als leeggevist volgens Steunpunt Werk, nog voor de krimp in het arbeidsaanbod goed en wel op snelheid komt.

Werkzaamheidsgraad Vlaamse bevolking: 72%
Van de Vlaamse bevolking tussen 20 en 64 jaar is 72% aan het werk. Om het arbeidspotentieel in kaart te brengen, wordt er traditioneel gekeken naar de actieve werklozen. In Vlaanderen behoorde anno 2016 3,5% van de bevolking op arbeidsleeftijd tot deze categorie. Maar de actieve werklozen vormen slechts een deel van de potentiele arbeidsreserve.

931.800 niet-beroepsactieven, dat is 24,4% van de Vlaamse bevolking tussen 20 en 64 jaar
Binnen de groep van niet-werkenden voldoen maar liefst 931.800 individuen niet aan deze definitie. Ze worden als niet-beroepsactieven beschouwd, goed voor 24,4% van de Vlaamse bevolking tussen 20 en 64 jaar. Volgens Steunpunt Werk kan een deel van deze groep potentieel wel als arbeidsreserve worden beschouwd en kunnen zij mits extra inspanningen de toenemende arbeidsvraag helpen invullen.

De latente arbeidsreserve
De latente arbeidsreserve telt 55.200 personen (2016), goed voor 1,4% uit van de bevolking tussen 20 en 64 jaar. Zij voldoen niet aan alle criteria van de officiële werkloosheidsdefinitie, omdat ze niet actief op zoek zijn naar werk of niet onmiddellijk beschikbaar zijn.

Toch hebben ze veel karakteristeken gemeenschappelijk met de actieve werklozen en zijn ze niet volledig losgekoppeld van de arbeidsmarkt. In deze groep zitten onder andere de ontmoedigde werklozen. Zij die de hoop op een job hebben opgegeven omdat ze denken niet over de juiste kwalificaties te beschikken, te jong of te oud te zijn voor een bepaalde job of omdat ze geen werk in de nabije omgeving vinden. Ook persoonlijke of familiale redenen kunnen van tel zijn, zoals zorg voor de kinderen, arbeidsongeschiktheid, studies die nog afgerond moeten worden, enzovoort.

De andere niet-beroepsactieven
Daarnaast zit er ook nog potentieel bij de andere niet-beroepsactieven. Steunpunt Werk maakt een onderscheid tussen drie groepen binnen deze categorie: de inzetbaren, de niet-direct inzetbaren en de niet-inzetbaren.

De groep van inzetbaren bestaat onder meer uit personen die zichzelf als werkend of werkloos zien. Zij voldoen weliswaar niet aan de strenge ILO-criteria om als werkend of werkloos beschouwd te worden, maar percipiëren zichzelf wel zo. Deze categorie omvat ook huismoeders of -vaders die de zorg voor de eigen kinderen of andere afhankelijke personen op zich nemen omwille van een gebrek aan (betaalbare) opvang. De inzetbare andere niet-beroepsactieven zijn goed voor 58.300 personen, wat overeenkomt met 1,5% van de bevolking.

Daarnaast is er nog de groep niet-direct inzetbaren, van wie een gedeelte in de toekomst inzetbaar zou kunnen worden.

Het gaat o.m. om 177.500 studenten die zich na afronding van de studies actief op de arbeidsmarkt kunnen begeven.

Ook tot de niet direct inzetbaren behoren 215.100 personen die aangeven dat ze hinder ondervinden van een handicap of aandoening. Een beperkt deel van hen stelt dat ze mits de nodige ondersteuning toch zouden kunnen werken.

Verder behoren ook 154.900 huismoeders of -vaders tot de groep van niet-direct inzetbaren.

Een andere omvangrijke categorie omvat de personen die ter beschikking zijn gesteld voorafgaand aan pensioen of de bruggepensioneerden, goed voor 65.400 individuen. Een niet gekend deel van hen zijn de vrijgestelde bruggepensioneerden. Zij kunnen niet ingezet worden om toekomstige vacatures in te vullen. Een ander deel is echter niet vrijgesteld en kan wel geactiveerd worden.

Binnen de andere niet-beroepsactieven is er ten slotte ook nog een groep niet-inzetbaren. Het gaat om personen die op (vervroegd) pensioen zijn.

Ondertewerkgestelden
Binnen de werkende bevolking op arbeidsleeftijd geeft niet iedereen aan optimaal ingezet te worden. Zo zijn er deeltijds werkenden die meer arbeidsuren willen presteren en voltijds werkenden die omwille van economische redenen een tijdelijke reductie van de arbeidsuren ervaren. Het gaat in totaal om 118.700 ondertewerkgestelden of 3,1% van de 20- tot 64-jarige Vlamingen. Mits een efficiëntere benutting van hun arbeidsuren kunnen zij dus ruimer ingezet worden.

Werkzaamheidsgroei mogelijk: van 72% naar 78,5%
Slagen we erin de latente arbeidsreserve en de andere inzetbare niet- beroepsactieven aan de slag te krijgen, dan zou de werkzaamheidsgraad van 72% anno 2016 kunnen stijgen naar 78,5%.

Vooral bij de kwetsbaarste groepen op de arbeidsmarkt lijkt er veel progressiemarge. Deze groepen hebben een lagere werkzaamheidsgraad dan gemiddeld, maar doordat ze oververtegenwoordigd zijn in de potentiële arbeidsreserve, is er nog veel groei mogelijk.

Zo kenden personen met een niet-Europese nationaliteit in 2016 een werkzaamheidgraad van 46%. Dit cijfer neemt met ruim de helft toe indien alle personen met een niet-Europese nationaliteit uit de potentiële arbeidsreserve aan de slag zouden gaan (+23,8 procentpunten).

Ook bij de jongeren, laaggeschoolden en personen met een arbeidshandicap is nog heel wat groeimarge.

Inspanningen op vele fronten nodig
Volgens het Steunpunt Werk zijn er inspanningen op vele fronten nodig om de krapte het hoofd te bieden. We mogen er daarbij niet van uitgaan dat de gaten wel gedicht zullen worden door productiviteitstoename bij medewerkers die we al aan boord hebben.

En we moeten beseffen dat we de krapte deels zelf creëren, door

  • in werving en selectie de lat alsmaar hoger te leggen,
  • hoge productiviteit te verwachten vanaf dag één, omdat we nu eenmaal lean (en dus mean) willen zijn,
  • enkel open te staan voor witte raven,
  • reëel aanwezige competenties te negeren omdat het diploma en de eerdere werkervaring niet volledig ‘in lijn’ zijn met wat we zoeken, wensen of eisen,
  • vooral te kijken naar de talenten die we zoeken en veel minder te denken aan de talenten die kandidaten ons bieden.

Bron: Waar kunnen we nog extra arbeidskrachten vinden in Vlaanderen, Steunpunt Werk