Ga naar de inhoud
Let op: Om de gebruikerservaring op deze site te verbeteren gebruiken we cookies.

Overdracht van een onderneming

Overdracht van een onderneming

Als het beheer van een muziekacademie toevertrouwd wordt aan een derde in het kader van een openbare aanbesteding en vijf maanden later aan een andere derde, kan dit dan worden beschouwd als een overgang van onderneming in de zin van Richtlijn 2001/23/EG?

Richtlijn 2001/23/EG van de Raad van 12 maart 2001 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten met betrekking tot het behoud van de rechten van werknemers in geval van een overgang van ondernemingen, van instellingen of van delen van ondernemingen of van instellingen heeft tot doel de werknemers bij een overgang van onderneming te beschermen door ervoor te zorgen dat ze in dienst blijven van de nieuwe werkgever, met behoud van hun arbeidsvoorwaarden.

In 1997 besluit een gemeentebestuur naar aanleiding van een openbare aanbesteding het rechtstreekse beheer van zijn gemeentelijke muziekacademie toe te vertrouwen aan een derde. Het beheer van de gebouwen, het meubilair en de instrumenten die bestemd zijn voor de werking van de muziekacademie wordt overgenomen door deze derde. Hij neemt ook een aantal werknemers over die oorspronkelijk aangeworven waren door het gemeentebestuur.  De diensten die aan de burgers verstrekt worden, worden trouwens nog altijd gezien als diensten die door het gemeentebestuur aangeboden worden.

In februari 2013 vraagt de derde aan het gemeentebestuur om de aanbestedingsovereenkomst op te zeggen wegens nalatigheid van het bestuur. Op 1 april 2013 geeft de derde de gebouwen, de instrumenten en de middelen die bestemd zijn voor de werking van de gemeentelijke muziekacademie terug aan het gemeentebestuur. Het personeel wordt in april 2013 ontslagen in het kader van een collectief ontslag. In juli 2013 wordt de derde failliet verklaard.

In de loop van de maand augustus 2013 vertrouwt het gemeentebestuur het rechtstreekse beheer van zijn gemeentelijke muziekacademie naar aanleiding van een nieuwe aanbestedingsprocedure voor het jaar 2013-2014 (vanaf september 2013) toe aan een andere derde. Ook het gebruik van dezelfde gebouwen, instrumenten en vereiste middelen wordt aan hem toevertrouwd.

Een van de ontslagen werknemers stelt beroep in bij de rechterlijke instanties om zijn ontslag aan te vechten. In het kader van de procedure die hangende is bij de rechterlijke beroepsinstantie wendt deze zich tot het Hof van Justitie van de Europese Unie (HJEU) om de volgende prejudiciële vragen te stellen (arrest van het HJEU van 7 augustus 2018, zaak C-472/16):

 Kan deze situatie worden beschouwd als een overgang van onderneming in de zin van Richtlijn 2001/23/EG, aangezien het rechtstreekse beheer van de gemeentelijke muziekacademie door de eerste derde opgegeven werd op 1 april 2013 en (pas) in september 2013 door de tweede derde overgenomen werd?
 Als dit het geval is, kan men dan economische redenen aanhalen voor het ontslag van de werknemer of is de overgang er de oorzaak van? Volgens Richtlijn 2001/23/EG kan een overgang van onderneming geen reden voor ontslag zijn. Dit ligt anders als het ontslag voortvloeit uit economische, technische of organisatorische redenen waarmee wijzigingen op het vlak van de tewerkstelling gepaard gaan.

Volgens het HJEU kunnen de specifieke omstandigheden worden beschouwd als een overgang van onderneming in de zin van Richtlijn 2001/23/EG. Om tot dit besluit te komen, haalt het HJEU met name aan dat de eerste derde van het gemeentebestuur alle middelen ter beschikking heeft gekregen voor de uitoefening van de activiteiten van de muziekacademie (de gebouwen, de instrumenten enz.) en dat diezelfde middelen vervolgens aan een tweede derde toevertrouwd zijn. De tweede derde had bovendien in september 2013 de leerlingen van de academie overgenomen. Voor het HJEU is de tijdelijke opschorting van de activiteiten van de academie van april tot augustus 2013 (met inbegrip van de vakantiemaanden) als zodanig geen aanleiding om het bestaan van een overgang van onderneming uit te sluiten.

Als de specifieke omstandigheden volgens het HJEU inderdaad beschouwd kunnen worden als een overgang van onderneming, kan men het ontslag van de werknemer dan rechtvaardigen door economische redenen, of vloeit het enkel voort uit de overgang? Voor het antwoord op deze vraag moet worden gekeken naar de objectieve omstandigheden waarin het ontslag heeft plaatsgevonden. In dit geval kon de eerste derde zijn personeel niet vergoeden. Hij was trouwens failliet verklaard in juli 2013. Als de economische aard van het ontslag gerechtvaardigd lijkt, is het volgens het HJEU wel aan de verwijzende rechter om na te gaan of de omstandigheden die tot het ontslag geleid hebben en de laattijdige aanstelling van een tweede derde geen deel uitmaken van een doelgerichte maatregel die erop gericht was de werknemers de bescherming te ontzeggen die voorzien is in Richtlijn 2001/23/EG.

Volgens het HJEU moet het beheer van een muziekacademie die in het kader van een openbare aanbesteding aan een derde toevertrouwd wordt en vervolgens vijf maanden later (nog altijd in het kader van een openbare aanbesteding) aan een tweede derde in dit specifieke geval worden beschouwd als een overgang van onderneming in de zin van Richtlijn 2001/23/EG.