Ga naar de inhoud
Let op: Om de gebruikerservaring op deze site te verbeteren gebruiken we cookies.

Moet thuiswachtdienst als arbeidstijd worden beschouwd?

Moet thuiswachtdienst als arbeidstijd worden beschouwd?

De vraag of thuiswachtdiensten als arbeidstijd moeten worden beschouwd, zorgde tot voor kort voor heel wat controverse. Zo bevestigde het Hof van Cassatie in een arrest van 1984 dat zodra de werknemer kan verwachten een onvoorziene oproep te moeten beantwoorden en de voortdurende mogelijkheid daarop hem zonder onderbreking ter beschikking van de werkgever houdt, dit als arbeidstijd moest worden beschouwd. Toch toonden de arbeidsrechtbanken zich op hun beurt minder genuanceerd.

Passieve wachtdiensten
In 2011 had het Hof van Cassatie toegegeven dat de zogenaamde 'passieve' wachtdiensten, tijdens welke de werknemer de mogelijke oproepen van de werkgever moet beantwoorden zonder dat hij zich daarbij op een welbepaalde plaats hoeft te bevinden of zijn gebruikelijke arbeidstaken hoeft uit te voeren, niet noodzakelijk als werkelijke arbeidsuren moesten worden beschouwd. In 2014 oordeelde het Hof van Cassatie ook dat de wachtdiensten die buiten de arbeidsplaats plaatsvinden, niet als arbeidstijd moesten worden beschouwd. Voor dit arrest voegde het Hof van Cassatie zich in hoofdzaak naar de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU). Dit oordeelde dat de wachtdienst, wanneer de persoon in kwestie niet fysiek aanwezig is op de arbeidsplaats maar op elk ogenblik kan worden opgeroepen, niet volledig in aanmerking moest worden genomen en dat enkel werkelijke prestaties tijdens de wachtperiode als arbeidstijd moesten worden beschouwd.

Thuis vervulde wachtdienst
Op 21 februari 2018 heeft het HvJ-EU een arrest inzake arbeidstijd afgeleverd. In dit arrest oordeelt het HvJ-EU dat de thuis vervulde wachtdienst van een werknemer, waarbij deze verplicht is in korte tijd gehoor te geven aan oproepen van zijn werknemer, als arbeidstijd moet worden beschouwd.

De aanleiding tot dit arrest was een rechtszaak waarbij een brandweervrijwilliger, de heer Matzak, de stad Nijvel voor de rechter daagde. Hij vorderde een vergoeding voor de thuiswachtdiensten die hij vervulde. Hij beschouwde die namelijk als arbeidstijd. De arbeidsrechtbank van Nijvel gaf gevolg aan de vorderingen van de heer Matzak. De stad Nijvel stelde tegen dit vonnis hoger beroep in bij de arbeidsrechtbank van Brussel. Deze legde op haar beurt het HvJ-EU de vraag voor of de thuiswachtdiensten als arbeidstijd konden worden beschouwd in de zin van het recht van de Europese Unie.
In dit geval oordeelde het HvJ-EU dat "de thuiswachtdienst die een werknemer moet verrichten, waarbij deze verplicht is om binnen acht minuten gehoor te geven aan oproepen van zijn werkgever – waardoor de mogelijkheid om andere activiteiten te ondernemen zeer sterk beperkt is – als 'arbeidstijd' moet worden aangemerkt.”

Bereikbaarheid
In dit arrest heeft het HvJ-EU dus geoordeeld dat zelfs als de plaats van de wachtdienst niet de arbeidsplaats is, maar de woonplaats van de werknemer, de verplichting om fysiek aanwezig te blijven op de door de werkgever bepaalde plaats, net als de druk die zowel qua ruimte als qua tijd voortvloeit uit de noodzaak om binnen acht minuten op de arbeidsplaats te verschijnen, anders moest worden bekeken dan de wachtdienst waarbij de werknemer enkel bereikbaar moet zijn voor de werkgever.
Bijgevolg heeft het arrest meer duidelijkheid geschapen over het begrip arbeidstijd in het kader van de wachtdiensten. Kortom, wanneer de werknemer fysiek aanwezig moet zijn op de door de werkgever aangewezen plek en wanneer de mogelijkheid om andere activiteiten te ondernemen zeer sterk wordt beperkt door de verplichting van de werknemer om zich zo snel mogelijk naar de arbeidsplaats te begeven, moeten deze wachtperiodes als arbeidstijd worden beschouwd.