Ga naar de inhoud
Let op: Om de gebruikerservaring op deze site te verbeteren gebruiken we cookies.

[Legal] Op welke punten werd de regelgeving over het scholingsbeding juist gewijzigd?

[Legal] Op welke punten werd de regelgeving over het scholingsbeding juist gewijzigd?

De wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (I) heeft een wettelijke regeling voor het scholingsbeding ingevoerd in het artikel 22bis uit de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. Dikwijls wou een werkgever weliswaar de kosten voor het volgen van een opleiding door een werknemer betalen, maar wou wel voldoende zekerheid over het feit dat hij ook de vruchten van deze investering zou plukken, en dus vooral vermijden dat de werknemer zijn verworven kennis te gelde zou maken door kort na het vervolledigen van de opleiding ontslag te nemen.

Dit artikel 22bis uit de Arbeidsovereenkomstenwet voorziet weliswaar een wettelijke regeling voor het scholingsbeding (dus een beding waarbij de werknemer zich ertoe verbindt om onder bepaalde voorwaarden de kosten van de opleiding terug te betalen), maar de voorwaarden voor een geldig scholingsbeding zijn strikt.

Een eerste en voor de hand liggende voorwaarde is dat het scholingsbeding schriftelijk moet vastgesteld worden in een individuele overeenkomst, uiterlijk op het ogenblik dat de opleiding aanvangt. Deze overeenkomst dient een viertal essentiële bepalingen te bevatten, namelijk de omschrijving van de opleiding, de kost ervan, de duur en de degressieve schaal voor de terugbetaling.

Het maximum terug te betalen bedrag is onderworpen aan een degressieve schaal :

· Tijdens het eerste derde van de duur kan hoogstens 80% van de opleiding terugbetaald worden.

· Tijdens het tweede derde hoogstens 50 %.

· Tijdens het laatste derde hoogstens 20 %.

Het terug te betalen bedrag mag sowieso nooit hoger zijn dan 30% van het jaarloon van de werknemer. De duur van het scholingsbeding kan sowieso niet langer zijn dan drie jaar.

Ten slotte voorziet de Arbeidsovereenkomstenwet in een aantal gevallen waarin een scholingsbeding niet mogelijk is :

· Als het brutojaarloon van de werknemer lager is dan de lage loongrens onder de Arbeidsovereenkomstenwet (34.819 euro bruto per jaar voor 2018).

· Als het gaat om "louter interne" opleidingen die geen competenties verwerven die ook in andere ondernemingen nuttig kunnen zijn.

· Voor opleidingen die een wettelijke verplichting zijn voor het beroep van de werknemer.

· Voor opleidingen met een duur van minder dan 80 uren.

· Voor opleidingen met een kost lager dan het dubbele van het gemiddeld minimum maandloon (op 18 november 2018 gelijk aan 1.593,81 euro bruto).

Dit eerste geval leidde soms tot ongewenste resultaten. Voor sommige technische beroepen die schaars zijn op de arbeidsmarkt wou de werkgever namelijk wel de kost van de opleiding betalen, maar was een scholingsbeding onmogelijk omdat deze loonvoorwaarde niet vervuld was.

Aangezien dit uiteraard niet de bedoeling was, heeft de wet van 14 oktober 2018 tot wijziging van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten met het oog op de versoepeling van het scholingsbeding en de invoering van het scholingsbeding voor knelpuntberoepenop dit punt een wetswijziging doorgevoerd.

Voor knelpuntberoepen in de zin van de gewestelijke regelgeving, wordt de loonvoorwaarde namelijk afgeschaft. De federale Arbeidsovereenkomstenwet verwijst dus gewoon naar de lijst van knelpuntberoepen die de gewesten hebben opgesteld in het kader van de wetgeving over arbeidskaarten. Voor de functies waar er verschillen zijn in de gewestelijke lijsten, geldt de lijst van knelpuntberoepen opgesteld door het gewest waar de werknemer tewerkgesteld zal worden.

Alle andere voorwaarden voor het scholingsbeding blijven ongewijzigd van toepassing, bijvoorbeeld het feit dat het terug te betalen bedrag hoogstens gelijk mag zijn aan 30% van het bruto jaarloon.

De wetgeving inzake het scholingsbeding werd versoepeld om het scholingsbeding gemakkelijker te kunnen toepassen op werknemers in een knelpuntberoep.