 |
 |
 |
| Heel het jaar door kan u als abonnee van HRMagazine alle boeken die besproken worden in onze media bestellen met 15% korting bovenop de AZUR prijs. Om te genieten van uw korting heeft u de promotiecode nodig die u per e-mail werd toegestuurd. Bent u deze code vergeten, dan kan u bellen naar Chantal Van Hoof op 052 20 18 81 of haar e-mailen om deze aan te vragen op vanhoof@hrmagazine.be |
 |
 |
| Competentiemanagement – manier van denken en werken |
|
|
|
  |
| |
 |
|
Auteur: Kurt Verweire, Geert Van Hootegem, Koen Dewettinck en Luc Sels |
| |
Uitgeverij: Voka, 2010 |
| |
ISBN: |
| |
Prijs: gratis te verkrijgen op aanvraag bij Voka |
| |
 |
Het Kenniscentrum van Voka bracht met Kurt Verweire, Koen Dewettinck (beiden Vlerick Management School), Geert Van Hootegem en Luc Sels (beiden K.U.Leuven) vier professoren samen om, elk vanuit een eigen invalshoek, inzicht te geven in competentie- en talentmanagement. Het feit dat men die autoriteiten op het vlak van organisatie- en HR-denken in hetzelfde boek weet te bundelen, is op zich al een verdienste.
Een degelijk competentiemanagement veronderstelt dat managers in alle geledingen van de organisatie een goed beeld hebben van de kerncompetenties van de organisatie en de bronnen van concurrentievoordeel.
Verweire houdt een pleidooi om de competenties van werknemers te koppelen aan de organisatiecompetenties. Daartoe volstaat het echter niet om de mensen met de juiste competenties aan boord te hebben, maar werknemers moeten ook mogen en willen bijdragen aan het bedrijfsresultaat. Hier heeft het topmanagement een essentiële rol in. Dat is immers verantwoordelijk voor het neerzetten van de juiste organisatiecontext waarbinnen werknemers kunnen handelen en bijdragen tot een meer competitieve organisatie. Verweire is formeel: competentiemanagement alleen zal een organisatie niet naar een hoger niveau tillen, maar moet worden gekoppeld aan het formuleren van een klare en duidelijke strategie en een organisatie die de competenties het best laat renderen in functie van die strategie.
Competentiemanagement is dus ook een kwestie van organisatie en laat dat nu net het stokpaardje van Geert Van Hootegem zijn, die het tweede hoofdstuk wijdt aan de durf om de arbeidsorganisatie op zich in vraag te stellen, met de bedoeling meer procesgericht te gaan werken, met meer regel- en leermogelijkheden. Volgens de Leuvense prof mag de basis voor talentontwikkeling dan al gaan over individuele mogelijkheden en aspiraties, het is evenzeer een zaak van collectieve aard. Niet meer de individuele functie, maar het team is volgens Van Hootegem de essentiële component van de organisatie. Dat heeft nogal wat consequenties voor de HR-systemen - en dus ook voor het competentiemanagement - die meestal op individuele leest geschoeid zijn.
Een van de kerncompetenties van de organisatie van de toekomst moet het variatievermogen zijn. Naarmate de omgeving veranderlijk wordt, zal het variatievermogen van de organisatie evenredig moeten toenemen. Daartoe moet de organisatorische complexiteit vereenvoudigd worden en moeten de regelmogelijkheden voor de medewerkers opgevoerd worden. Van Hootegem besluit dat competentiemanagement in eerste instantie een kwestie is van jobdesign, van het uittekenen van actieve functies die niet gebaseerd zijn op bewerkingen en functionele specialisaties, maar vooral op de bedrijfsprocessen.
Die regelgeving, de autonomie die een medewerker ervaart bij het uitoefenen van zijn job, is ook een aandachtspunt in de bijdrage van Koen Dewettinck. De motivatie van een werknemer hangt nauw samen met autonomie, zinvolheid (het gevoel hebben dat het werk van belang is voor henzelf), impact (het gevoel activiteiten te verrichten die er echt toe doen) en competentie (het gevoel om de eigen taken naar behoren te kunnen uitoefenen).
De inzet van de medewerker om zijn eigen competenties aan te scherpen, kan men stimuleren door de ontwikkeling ervan zo goed mogelijk te ondersteunen, en dan komen talentontwikkeling en competentiemanagement om de hoek kijken. Dewettinck geeft enkele succesfactoren mee om een dergelijk beleid tot een succes te maken en legt uit hoe een organisatie de leerspanning kan verhogen, waardoor medewerkers gestimuleerd worden om aan hun individuele ontwikkeling te werken.
Competentiemanagement kan zich ook vertalen in het loonbeleid. Dat is de insteek van de bijdrage van prof Luc Sels. Hij benadrukt meteen dat een competentiebeloningsmodel ontwikkelen allerminst evident is, veel tijd vergt en veel weerstand oproept (niet het minst van de vakbonden). Eerst een draagvlak creëren over het nut ervan, is dan ook een essentiële vereiste. Pas dan kan men overgaan tot de vragen wat en hoe men het precies zal aanpakken. Aan de andere kant onderstreept het belonen van competenties ook het belang ervan, waardoor het een cultuur van leren, groei en continue ontwikkeling ondersteunt en stimuleert. Bovendien wordt daardoor het discours over talentmanagement vertaald in duidelijke engagementen.
Luc Sels blijft houdt echter geen pleidooi voor competentiebeloning. Trouw aan zichzelf schetst hij een zeer genuanceerd beeld waarbij de pro’s en contra’s zorgvuldig worden beschreven. Of een organisatie klaar is voor het belonen van competenties, is immers zeer contextgebonden. Sels reikt ter zake wel een zeer goede aanzet tot denkoefening aan.
Dat is meteen ook hoe het gehele boek te omschrijven is: een boeiend, breed en tegelijkertijd concreet denkkader over een zeer prominent HR-thema.
|
 |
 |
|
|

 |
|
  |
| |
 |
|
Auteur: Jef Staes |
| |
Uitgeverij: Lannoo, 2009 |
| |
ISBN: 978 907743229 7 |
| |
Prijs: 19,19 euro |
| |
 |
Welke managers zijn nodig om uw organisatie succesvoller te laten bewegen in de turbulente economische wereld? Dat is de kernvraag in “Mijn manager is een held” van Jef Staes. De auteur omschrijft de veranderingen in het bedrijfsleven als een ontwikkeling van een vlakke, “2D”-omgeving waarbinnen de toekomst vrij voorspelbaar was en de keuze voor een bepaalde richting bijna voor de hand lag, naar een 3D-omgeving. Hij vat dat als volgt samen: “Het rustige binnenwater werd ongewild verruild voor een veel woeligere oceaan.” Dat vergt een andere aanpak, andere inzichten, andere vaardigheden en een andere houding. Meer nog: “HR-processen die al tientallen jaren ‘best practice’ zijn, zullen naar de prullenmand worden verwezen”, gelooft de auteur.
Een van de elementen die bedrijfsvoering anders maken, is de sterk toegenomen informatiestroom, onder invloed van internetontwikkelingen en nieuwe technologie. Informatie wordt veel toegankelijker en mensen nemen vaker zelf het initiatief om zich te informeren en (dus) bij te leren. In het 3D-tijdperk neemt de waarde van mensen toe naarmate ze meer gepassioneerd zijn in het nieuwe. Als ze dan ook nog over het juiste talent beschikken, zorgen zij voor innovatie en verandering, niet door “verbeter-leren “ – eigen aan de 2D-organisatie – maar door “creatief leren”. Die interesse om te leren is ingebed in de 3D-organisatiecultuur. Daarbij wijst de auteur erop dat “leren” een bredere betekenis heeft dan deze die doorgaans in een 2D-omgeving gehanteerd wordt: opleidingen aanbieden. Men gaat er dan vaak verkeerdelijk van uit dat de aangereikte informatie ook in competenties worden omgezet. Zo eenvoudig is het niet. Leren en competentieontwikkeling vormen een veel complexer proces.
Een “3D-manager” weet dat, en speelt daarop in door op zoek te gaan naar die mensen die hun talenten voortdurend willen bijsturen en gepassioneerd zijn om vooruit te komen. Dat impliceert echter ook dat die mensen de ruimte moeten krijgen om te bewegen in de organisatie, om plaatsen in te nemen waar ze zich het best voelen en waar ze ook voor de organisatie de meeste toegevoegde waarde hebben. De organisatie zal bijgevolg evolueren naar een netwerk, waar strakke structuren en begrenzingen wegvallen.
Om dat in goede banen te leiden, zijn vier managerstypes nodig: de inspiration manager helpt en stimuleert gepassioneerde en creatieve geesten om vernieuwende ideeën naar voren te brengen. Het gaat echter wel degelijk over een manager: hij is dus niet (noodzakelijk) zelf de meest creatieve van de klas, maar wel degene die het creatieve proces aan de gang houdt. De incubation manager is een projectmanager: hij zorgt voor de levensvatbaarheid van een nieuw idee, onder meer door het op het juiste moment te lanceren, door er de juiste mensen rond te verzamelen en die een kans te geven zich te bewijzen. De operationele manager zet het voorbereidende werk van de incubation manager voort in een operationeel proces. De 3D-business unit manager overkoepelt het geheel en moet ervoor zorgen dat zijn business unit overleeft in de snel veranderende omgeving.
Als belangrijkste competenties van de 3D-manager onderscheidt de auteur het creëren van een intuïtieve en vooruitstuwende visie, het casten van de juiste talenten in de juiste rollen, het promoten en ondersteunen van grote leerautonomie en ruime bevoegdheid geven in het gebruik en inzetten van resources. Hij werkt die competenties ook verder uit en zoomt tevens in op een reeks sleutelbegrippen die eigen (moeten) zijn aan een 3D-manager.
Dat de auteur veel belang hecht aan het managen van creatieve processen is niet toevallig: “Pas als gepassioneerde talenten elkaar ontmoeten in een gemeenschappelijk project wordt het duidelijk waartoe mensen in staat zijn. Apart zijn het gewoon ingrediënten die wachten op de juiste kok”, schrijft Staes.
Een 3D-organisatie is voor hem een organisatie waar mensen zijn wat ze willen zijn, waar talenten ongeremd op zoek gaan naar een rol waarin ze kunnen bijdragen aan de ontwikkeling van het nieuwe. Een organisatie moet daarop inspelen door omheiningen rond mensen en bevoegdheden weg te werken. Want als je een hek rond mensen zet, krijg je schapen, schreef Jim Collins ooit. Staes beaamt dat. En terwijl het wegwerken van omheiningen voor de 2D-manager een bedreiging vormt, is het voor de 3D-manager een opportuniteit. Want die weet dat je mensen niet mag temmen, maar hun talent en passie gebruiken om de visie en strategie van de organisatie waar te maken.
“Mijn manager is een held” schetst een juist beeld van de ontwikkelingen die zich in het bedrijfsleven voordoen. Dat Jef Staes daarbij geregeld in ongenuanceerd zwart-witdenken vervalt, komt de kracht van zijn boodschap wel ten goede, maar niet altijd de geloofwaardigheid ervan. Niettemin is zijn boek een sterke inspiratiebron om na te denken over de vraag of en hoe uw organisatie zich klaar maakt voor de komende decennia.
|
 |
 |
|
|

 |
| Talentmanagement en loopbaanontwikkeling: een integrale benadering |
|
|
|
  |
| |
 |
|
Auteur: Marina Avau en Jan De Visch |
| |
Uitgeverij: Kluwer, 2010 |
| |
ISBN: 978 90 4652817 4 |
| |
Prijs: 72,99 euro |
| |
 |
Talentmanagement en loopbaanontwikkeling: een integrale benadering is geen gemakkelijk boek. Wie snelle, pasklare antwoorden zoekt op vragen omtrent die thematiek, zal met dit boek bedrogen uitkomen. Wie echter niet vies is van een brede, inzichtelijke kijk, gesteund op talloze wetenschappelijke publicaties en onderzoekswerk vindt in het boek een zeer degelijke benadering van het concept talent- en loopbaanmanagement en de uitdagingen ervan, zowel in het ondersteunen van individuen als van organisaties.
De rode draad om de missie en de doelstellingen van de organisatie te verwezenlijken, is het identificeren van noodzakelijke rollen en de daarbij horende verantwoordelijkheden en competenties. Zo komt men al gauw bij functiebeschrijvingen terecht. Die zouden een vertaling moeten zijn van de korte- en langetermijndoelstellingen van de organisatie. Maar dit is zelden het geval, vinden de auteurs: vaak zijn het louter opsommingen van taken, ontbreken heldere doelstellingen en besluitvormingsverantwoordelijkheden. Een functiebeschrijving wordt dan ook dikwijls gebruikt om te komen tot een functieclassificatie – en het daaraan gekoppelde loonbeleid. Ze is in zekere zin een controlemechanisme. Functiebeschrijvingen dekken zelden de lading en zijn snel niet meer actueel, omdat functies, werkprocessen en samenwerkingsverbanden evolueren. Het is volgens de auteurs dan ook beter om rollen te beschrijven – een rol is een geheel van verwachtingen en daaraan verbonden activiteiten.
Bij talentmanagement haken de individuele invalshoek en de organisatie-invalshoek op elkaar in. Het afstemmen van individuele en organisatienoden is een proces dat de evoluerende “breedtes” van individuele medewerkers in overeenstemming brengt met de breedtes van de rollen die nodig zijn om de strategische doelstellingen te realiseren.
De hoofdverantwoordelijkheid van die processen ligt op verschillende niveaus in de organisatie. Op het niveau van de individuele medewerker betekent dit dat hij geholpen wordt om op een gestructureerde manier stil te staan bij de manier waarop hij zijn loopbaan vorm geeft en zijn bijdrage ziet ontwikkelen. Op het niveau van het senior management houdt dit in dat er een gestructureerde dialoog tot stand komt rond het aanwezige talent, om in kaart te brengen welke kwaliteiten er beschikbaar zijn en welke er kunnen of moeten ontwikkeld worden. Op het niveau van het managementcomité is talentmanagement vooral gericht op het identificeren van opvolgers. Het managementcomité is ervoor verantwoordelijk om de context te creëren waarbij strategierealisatie en talentontwikkeling elkaar versterken.
Maar talentmanagement beperkt zich niet tot de verantwoordelijkheid van de drie hierboven vermelde niveaus. Alle niveaus en echelons van de organisatie moeten erbij betrokken zijn.
Bovendien moeten bij de implementatie van een geïntegreerde aanpak enkele concrete elementen sterk in de aandacht worden gehouden, die de auteurs “flankerende HR-processen” noemen. De auteurs belichten die stuk voor stuk grondig. Zo tonen ze aan dat de ontwikkelingsfase van een onderneming een parameter is die het loopbaanmanagement sterk beïnvloedt. Daarnaast is ook communicatie een essentieel aandachtspunt. Dat hoeft niet te verwonderen in een context waarvan de kern bestaat in het op elkaar afstemmen van en bijsturen van individuele en organisatienoden. Daarnaast is ook een leercultuur inherent aan een beleid rond loopbaanontwikkeling. Dat houdt in dat de organisatie beschikt over een waaier aan vomings- en ontwikkelingsinitiatieven en –systemen. De auteurs benadrukken ook dat managementontwikkelingsprogramma’s afgestemd moeten zijn op de cognitieve ontwikkeling van de deelnemers. In de praktijk gebeurt echter vaak het omgekeerde, stellen ze vast: zodra “best practices” naar voren worden gebracht als een geheel van werkwijzen die succes garanderen, wordt de illusie gewekt dat ze veralgemeenbaar zijn in hun toepassing. Wat uiteraard niet het geval is. Nog een aandachtspunt is een degelijk prestatiemanagementsysteem. Dat kan de focus op ontwikkelingsobjectieven immers alleen maar ten goede komen. Laatste aspect van de flankerende HR-praktijken, is de remuneratie van talent. Dat is een moeilijk debat, dat de auteurs in hun boek niet ten gronde voeren. Uitgangspunt moet volgens hen “billijkheid” en “een billijk gevonden onderlinge verhouding van salarissen” zijn.
De auteurs tonen vooral aan dat talentmanagement een zeer complex begrip is, dat bovendien al een hele historiek achter zich heeft. Het is met andere woorden een thema dat beter verdient dan het statuut van managementhype.
|
 |
 |
|
|

 |
| Minder perfect, meer effect |
|
|
|
  |
| |
 |
|
Auteur: Simone Janson |
| |
Uitgeverij: Pearson Education, 2010 |
| |
ISBN: 478 90 4301956 9 |
| |
Prijs: 16,59 |
| |
 |
De manier waarop auteur Simone Janson perfectionisme benadert, zet je als lezer eigenlijk op het verkeerde been. In het boek worden namelijk heel wat situaties en werkhoudingen beschreven en becommentarieerd, die voor heel wat mensen bijzonder herkenbaar zullen zijn. De auteur formuleert het zo: de wens om iets bijzonder goed, juist en netjes te willen doen is zeer normaal en menselijk en bijna iedereen is een beetje perfectionistisch: mensen die op een overdreven manier streven naar perfectie maken het zichzelf op hun werk vaak onnodig moeilijk. Bovendien werken ze vaak niet eens zo efficiënt, omdat ze slecht in staat zijn om een onderscheid te maken tussen belangrijke en onbelangrijke zaken. Ze willen immers niet alleen de hoofdzaken, maar ook elk klein detail nauwkeurig afwerken. Ze willen controle over alles houden en zijn daardoor dikwijls zeer wantrouwig.
Volgens de benadering van de auteur gaat perfectionisme over werkattitudes die courant voorkomen, over de gevolgen daarvan en over hoe je als individu die valkuilen kan vermijden.
Op het eerste gezicht zou men denken dat leidinggevenden blij moeten zijn met perfectionisten: dat zijn immers de bezige bijen van het bedrijf, ze doen principieel meer dan ze moeten doen. Maar er is niet noodzakelijk een lineair verband tussen de mate van inzet en de productiviteit. Gedurende een periode zal dat misschien wel het geval zijn, maar uiteindelijk is zoiets niet vol te houden, tenzij ten koste van jezelf en/of van je directe collega’s. Overigens is het gedrag van perfectionistische workaholics al meermaals onderzocht. Blijkt dat zij voor een korte periode winst opleveren voor het bedrijf, maar dat die op lange termijn wordt tenietgedaan door een veel hogere financiële schade. Die wordt veroorzaakt door fouten, verloop onder het personeel en inefficiënt werken. Het heeft ook weinig zin om altijd te willen voldoen aan de hoogste eisen, vaak volstaan goede prestaties ook.
Dan is natuurlijk de vraag wanneer een prestatie goed is. Volgens de auteur is het meestal mogelijk zeer degelijk te presteren zonder daarom voortdurend druk op je zelf en je omgeving te zetten. Vaak is het echter angst om te falen die maakt dat sommige mensen voortdurend streven naar topprestaties. De auteur geeft adviezen mee om het eigen handelen juist in te schatten en faalangst in te perken.
Uiteraard is het niet verkeerd om hoge prestaties te willen neerzetten. Alleen moet je dat vrijwillig en met plezier doen. Het is een kwestie van “anders” te werken, met meer gelatenheid. Door minder eisen aan zichzelf te stellen, wint men meer tijd en bouwt men minder stress op. Het stelt je in staat om je wil om te presteren efficiënt in te zetten voor welbepaalde doelen, en niet meer in alles tegelijkertijd te willen uitblinken.
Binnen de kenmerken van perfectionisme onderscheidt de auteur het aspect “think-aholisme”. Dat betekent dat sommige mensen, vanuit een behoefte om een situatie zo compleet mogelijk te overzien en onder controle te hebben, het meest minieme element ervan willen doorgronden. Maar te veel en te lang nadenken heeft precies het tegenovergestelde effect: er treedt een gevoel van controleverlies op. Aanvankelijk heldere gedachten leiden tot twijfels en uiteindelijk tot een oncomfortabel gevoel van onzekerheid. Productief nadenken impliceert dat het denkproces tot een handeling of beslissing leidt. In het boek leert de lezer hoe hij zijn eigen denkproces beter kan beheersen.
Wie perfectionistisch denkt, is op de eerste plaats bezig om geen fouten te maken. Dat leidt tot voorzichtig en defensief gedrag dat misschien wel fouten in grote mate kan uitsluiten, maar tegelijkertijd ook vermijdingsgedrag inhoudt: grote en risicovolle beslissingen worden ontweken. Als dat gedrag overheerst in een bedrijf, is dat nefast voor de toekomst ervan – ook al lijkt het een organisatie die bijna perfect functioneert, omdat er nauwelijks fouten worden gemaakt. Een bedrijf waar fouten minder uitzonderlijk zijn, maar dat wel een cultuur hanteert waar die vergissingen in zekere mate toegelaten worden en aangegrepen worden om verbeteringen door te voeren.
Minder perfect, meer effect is niet meteen een boek dat als verplichte vakliteratuur kan bestempeld worden, maar brengt wel op een frisse manier herkenbare gedragspatronen in kaart en doorprikt enkele luchtbellen over sterk presteren. Het reikt ook tips aan om de eigen prestaties te verhogen en tegelijkertijd zichzelf minder onder druk te zetten. In die zin biedt het een zinvolle bijdrage tot efficiënte werkomgevingen.
|
 |
 |
|
|

 |
|
  |
| |
 |
|
Auteur: Jan Rutten |
| |
Uitgeverij: Standaard Uitgeverij, 2009 |
| |
ISBN: 978 90 0223524 5 |
| |
Prijs: 21,11 euro |
| |
 |
Jan Rutten, auteur van het boek met de lichtjes pretentieuze titel “Word wie je wil” is al ruim een kwarteeuw actief als bedrijfspsycholoog en selectieadviseur. In de loop van die jaren bouwde hij, op basis van zijn ervaring, een psychologisch meetinstrument op dat hij het BasicProfileScreen doopte. Daarin onderscheidt hij negen fundamentele gedragsprocessen die in hun samenspel op elke functievereiste een antwoord bieden en – volgens de auteur – de mogelijkheid geeft om een coherent beeld van een persoonlijkheid te vormen.
De persoonlijkheidstest die Jan Rutten ontwikkelde, ligt in de traditie van MBTI en aanverwante methodieken. Niettemin is zijn systeem, hoewel slechts gebaseerd op een lijst van 72 vragen, een behoorlijk complex – en dus genuanceerd – geheel. Rutten ziet persoonlijkheidsontwikkeling als een ingewikkeld geheel dat fungeert als een dubbelzijdige filter tussen het diepere zelf en de buitenwereld. Gedrag wordt bovendien voortdurend afgestemd op de situatie, waardoor het bijzonder moeilijk te voorspellen valt. De auteur benadert een persoonlijkheid bijgevolg als een dynamisch proces dat gedragen wordt door een dubbel raster met een binnen- en een buitenkant.
Aan de binnenkant vormt zich een energieraster met elementaire behoeften. Aan de buitenkant ontwikkelt zich tegelijk het gedragsraster dat bestaat uit de eerder genoemde negen gedragsprocessen. Die gedragsprocessen puren energie uit de onderliggende behoeften, die op hun beurt bijgestuurd worden door wat je ervaart als gevolg van je gedrag. Er is dus een tweerichtingsverkeer tussen het energieraster en het gedragsraster.
De kern van de binnenwereld wordt gevoed door de drie oerkrachten levensdrang, overlevingsdrang en oriënteringsdrang, die in het boek duidelijk worden toegelicht en die volgens de auteur de energie verschaffen om te zijn wie men is. Parallel met de oerkrachten plaatst de auteur drie oerdimensies, of “leefsferen” van de buitenwereld, waarbinnen energie tot leven komt: de dynamische leefsfeer van de tijdruimte, de sociale leefsfeer waar contact met anderen centraal staat, en de functionele leefsfeer, of het omgaan met de materiële wereld. Op elk snijpunt tussen een oerkracht uit de binnenwereld en een oerdimensie uit de buitenwereld ontstaat een van de negen gedragsprocessen die een persoonlijkheid tekenen.
Maar een persoonlijkheid is uiteraard meer dan gedrag. Het energieraster, dat de auteur naast het gedragsdraster plaatst en de binnenkant van de persoonlijkheid weerspiegelt, brengt hij “elementaire aandriften” tot stand. Een aandrift is een combinatie van een behoefte en een drijfveer, waar behoeften worden gevoed door de hierboven genoemde oerkrachten, terwijl de drijfveren als het ware worden uitgelokt door de oerdimensies. Zo ontstaat op elk snijpunt tussen oerkracht en oerdimensie een onderliggende energiebron voor ieder elementair gedragsproces. Zo leidt de oerdimensie tijdruimte in combinatie met de oerkracht levensdrang tot exploratiedrang, in combinatie met de oerkracht overlevingsdrang tot zekerheidsdrang en in combinatie met de oriëntatiedrang tot zelfbeschikkingsdrang.
Dit model – op het eerste gezicht zeer theoretisch en nogal complex, maar in het boek wel behoorlijk helder uiteengezet – vormt de basis voor het BasicProfileScreen, dat een persoonlijkheid analyseert door die te herleiden tot de relatieve gewichten die iemand toekent aan de negen gedragsprocessen. Die gewichten worden uitgedrukt in scores die je energieverdeling verklappen en iets vertellen over je persoonlijkheid. Maar pas door scores te combineren komt men dichter bij het kluwen dat een persoonlijkheid in wezen is. Het zijn die combinaties die de basis vormen van de 36 persoonlijkheidsdimensies die de auteur uiteenzet. En zoals dat bij nagenoeg elke persoonlijkheidstest het geval is, ontsnapt men ook binnen het BPS niet aan de obligate archetypes. Rutten definieert er 24.
De auteur zet de denkwijze die achter het model schuilt gaat, zorgvuldig uiteen en besteedt ook aandacht aan de valkuilen van je persoonlijkheid, reikt middelen aan om relaties te analyseren en zoomt in op de verschillen tussen mannen en vrouwen.
Waar Rutten met zijn boek (en dus met zijn model) vooral in slaagt, is de veelgelaagdheid van persoonlijkheden aantonen. Dat dit een meetinstrument met een fijnmazige filter vergt, is navenant. En precies dat is wat Rutten in zijn boek voorlegt. De waarde van deze nog jonge persoonlijkheidstest zal later nog moeten blijken - BPS wordt in enkele grote bedrijven in België gebruikt, en krijgt hier en daar in het werkveld lovende kritieken. Hoe dan ook zijn de inzichten die erin worden meegegeven, alvast de moeite waard.
|
 |
 |
|
|

 |
| De ladder van leiderschap – In 20 stappen naar de top |
|
|
|
  |
| |
 |
|
Auteur: Bart De Bondt |
| |
Uitgeverij: paradigma, 2010 |
| |
ISBN: 978 90 4996032 2 |
| |
Prijs: 17,79 euro |
| |
 |
Ik hoop dat ik de mensen die zich geroepen voelen om een boek over leiderschap te schrijven, nooit zal moeten te eten geven. Gelukkig zijn sommige publicaties meer dan dertien in een dozijn. Dat geldt ook voor De ladder van leiderschap van Bart De Bondt en Hoe je een geboren leider wordt van Frank Schaper. Eigenlijk staan de benaderingen van het thema leiderschap in beide boeken bijna lijnrecht tegenover elkaar: terwijl Bart De Bondt vooral een zeer persoonlijk verhaal op basis van eigen ervaringen en inzichten vertelt, zoekt Frank Schaper inspiratie bij striphelden en historische leidersfiguren.
De ladder van Leiderschap biedt, omwille van de sterk anekdotische opbouw, op het eerste gezicht meer nuttige informatie en inspiratie dan Hoe je een geboren leider wordt, waar de boodschap minder expliciet, soms tussen de regels, maar zeker ook op een originele manier wordt meegegeven.
Schapers legt voortdurend links tussen elementen uit stripverhalen en acties van (vaak) politieke leiders in concrete situaties. Zo gebruikt hij in zijn rijkelijk geïllustreerde boek een vrij uitgebreide passage uit het Lucky Luke-album Naijver in Painful Gulch om een parallel te trekken met de onderhandelingsstrategie van de Amerikaanse presidenten in het Israëlisch-Palestijns conflict – de auteur presteert het zelfs om het stripverhaal als verplichte lectuur voor leiders naar voren te schuiven. Een lichte ironie is in Hoe je een geboren leider wordt, nooit ver weg – de titel op zich zegt in dat verband genoeg.
Ondanks de zeer verschillende uitgangspunten, komen diverse aspecten van leiderschap in beide boeken aan bod – gelukkig maar. Al zijn er soms meer dan nuanceverschillen: zo besteedt Frank Schaper een hoofdstuk aan hoogmoed, een valkuil waar nogal wat leidinggevenden in trappen nadat ze gedurende een lange periode successen hebben opgestapeld. Schapers geeft daar in zijn boek ook treffende voorbeelden van. Hij gelooft echter dat hoogmoed niet het resultaat is van macht, maar al veel vroeger begint een zelfs een voorwaarde is om te slagen. Soms leidt dat, in combinatie met macht, tot grootheidswaan.
Bart De Bondt, gewezen CEO van verzekeringsmaatschappij van ING, gaat in zijn boek niet zover te stellen dat hoogmoed nodig is om als leider te slagen, maar dat hij als eerste van de twintig stappen op weg naar succesvol leiderschap “houden van jezelf” definieert, ligt wel in dezelfde lijn. Overigens blijkt uit verdere lectuur van De ladder van leiderschap dat de auteur bijzonder weinig moeite heeft met die eerste stap. Een zekere mate van zelfbewierooking is hem niet vreemd. Hij schrijft dan ook letterlijk dat “bescheidenheid slechts een ogenschijnlijk mooie deugd is, want het maakt datgene wat er is, kleiner dan het is.”
Dat doet echter niets af aan de zeer concrete, herkenbare en dus inspirerende verhalen die de auteur uiteenzet en becommentarieert. De twintig stappen die De Bondt in evenveel hoofdstukken uiteenzet, kunnen worden samengevat in volgende basiskwaliteiten van leiderschap: een leider moet houden van mensen – en dus ook van zichzelf, hij moet een duidelijke visie hebben en die met passie beleven en doorgeven, hij moet integer zijn en dus zeer consequent zijn in de beleving en handhaving van normen en waarden, hij moet een prima communicator zijn en een motivator, en dus in staat om het beste uit mensen naar boven te halen. Dit zijn natuurlijk vrij algemene termen die in 1001 definities van leiderschap voorkomen. Maar De Bondt slaagt er wel in om die basiskwaliteiten verder in het boek stapsgewijs te verfijnen en vooral, door eigen ervaringen mee te geven, zeer concreet te maken. Zo gaat hij onder meer uitgebreid in op communicatie (onder meer interessante ervaringen in verband met non-verbale signalen, de soms dunne grens tussen de waarheid vertellen en liegen, luisterbereidheid, …), de durf om te veranderen, de aandacht voor mensen, het streven naar perfectie, e.d.
Daarbij stelt hij zich zeer openhartig en kwetsbaar op, wat de authenticiteit van zijn verhaal alleen maar versterkt. Hij verliest zich wel eens in moraliserende beschouwingen en grootspraak – zo legt hij op een bepaald moment bijvoorbeeld uit wat “de garantie op eeuwigdurend geluk” is. Wie nuchter in het leven staat, fronst daarbij toch wel even de wenkbrauwen.
Maar wie zich niet stoort aan dergelijke uitschuivertjes, vindt in De ladder van Leiderschap een zeer vlot leesbaar, onderhoudend boek dat leidinggevenden zeker kan ondersteunen in hun functioneren.
|
 |
 |
|
|

 |
| Hoe je een geboren leider wordt |
|
|
|
  |
| |
 |
|
Auteur: Frank Schaper |
| |
Uitgeverij: Scriptum, 2009 |
| |
ISBN: 978 90 5594647 1 |
| |
Prijs: 26,69 euro |
| |
 |
Ik hoop dat ik de mensen die zich geroepen voelen om een boek over leiderschap te schrijven, nooit zal moeten te eten geven. Gelukkig zijn sommige publicaties meer dan dertien in een dozijn. Dat geldt ook voor De ladder van leiderschap van Bart De Bondt en Hoe je een geboren leider wordt van Frank Schaper. Eigenlijk staan de benaderingen van het thema leiderschap in beide boeken bijna lijnrecht tegenover elkaar: terwijl Bart De Bondt vooral een zeer persoonlijk verhaal op basis van eigen ervaringen en inzichten vertelt, zoekt Frank Schaper inspiratie bij striphelden en historische leidersfiguren.
De ladder van Leiderschap biedt, omwille van de sterk anekdotische opbouw, op het eerste gezicht meer nuttige informatie en inspiratie dan Hoe je een geboren leider wordt, waar de boodschap minder expliciet, soms tussen de regels, maar zeker ook op een originele manier wordt meegegeven.
Schapers legt voortdurend links tussen elementen uit stripverhalen en acties van (vaak) politieke leiders in concrete situaties. Zo gebruikt hij in zijn rijkelijk geïllustreerde boek een vrij uitgebreide passage uit het Lucky Luke-album Naijver in Painful Gulch om een parallel te trekken met de onderhandelingsstrategie van de Amerikaanse presidenten in het Israëlisch-Palestijns conflict – de auteur presteert het zelfs om het stripverhaal als verplichte lectuur voor leiders naar voren te schuiven. Een lichte ironie is in Hoe je een geboren leider wordt, nooit ver weg – de titel op zich zegt in dat verband genoeg.
Ondanks de zeer verschillende uitgangspunten, komen diverse aspecten van leiderschap in beide boeken aan bod – gelukkig maar. Al zijn er soms meer dan nuanceverschillen: zo besteedt Frank Schaper een hoofdstuk aan hoogmoed, een valkuil waar nogal wat leidinggevenden in trappen nadat ze gedurende een lange periode successen hebben opgestapeld. Schapers geeft daar in zijn boek ook treffende voorbeelden van. Hij gelooft echter dat hoogmoed niet het resultaat is van macht, maar al veel vroeger begint een zelfs een voorwaarde is om te slagen. Soms leidt dat, in combinatie met macht, tot grootheidswaan.
Bart De Bondt, gewezen CEO van verzekeringsmaatschappij van ING, gaat in zijn boek niet zover te stellen dat hoogmoed nodig is om als leider te slagen, maar dat hij als eerste van de twintig stappen op weg naar succesvol leiderschap “houden van jezelf” definieert, ligt wel in dezelfde lijn. Overigens blijkt uit verdere lectuur van De ladder van leiderschap dat de auteur bijzonder weinig moeite heeft met die eerste stap. Een zekere mate van zelfbewierooking is hem niet vreemd. Hij schrijft dan ook letterlijk dat “bescheidenheid slechts een ogenschijnlijk mooie deugd is, want het maakt datgene wat er is, kleiner dan het is.”
Dat doet echter niets af aan de zeer concrete, herkenbare en dus inspirerende verhalen die de auteur uiteenzet en becommentarieert. De twintig stappen die De Bondt in evenveel hoofdstukken uiteenzet, kunnen worden samengevat in volgende basiskwaliteiten van leiderschap: een leider moet houden van mensen – en dus ook van zichzelf, hij moet een duidelijke visie hebben en die met passie beleven en doorgeven, hij moet integer zijn en dus zeer consequent zijn in de beleving en handhaving van normen en waarden, hij moet een prima communicator zijn en een motivator, en dus in staat om het beste uit mensen naar boven te halen. Dit zijn natuurlijk vrij algemene termen die in 1001 definities van leiderschap voorkomen. Maar De Bondt slaagt er wel in om die basiskwaliteiten verder in het boek stapsgewijs te verfijnen en vooral, door eigen ervaringen mee te geven, zeer concreet te maken. Zo gaat hij onder meer uitgebreid in op communicatie (onder meer interessante ervaringen in verband met non-verbale signalen, de soms dunne grens tussen de waarheid vertellen en liegen, luisterbereidheid, …), de durf om te veranderen, de aandacht voor mensen, het streven naar perfectie, e.d.
Daarbij stelt hij zich zeer openhartig en kwetsbaar op, wat de authenticiteit van zijn verhaal alleen maar versterkt. Hij verliest zich wel eens in moraliserende beschouwingen en grootspraak – zo legt hij op een bepaald moment bijvoorbeeld uit wat “de garantie op eeuwigdurend geluk” is. Wie nuchter in het leven staat, fronst daarbij toch wel even de wenkbrauwen.
Maar wie zich niet stoort aan dergelijke uitschuivertjes, vindt in De ladder van Leiderschap een zeer vlot leesbaar, onderhoudend boek dat leidinggevenden zeker kan ondersteunen in hun functioneren.
|
 |
 |
|
|

 |
|
  |
| |
 |
|
Auteur: Tomas Wallaert |
| |
Uitgeverij: Lannoo, 2009 |
| |
ISBN: 978 902098680 8 |
| |
Prijs: 17,79 euro |
| |
 |
Tomas Wallaert, auteur van “Iedereen wil veranderen” is bescheiden: “De voorstellen en oplossingen in dit boek zijn niet revolutionair.” Dat uitgangspunt maakt het boek echter precies sterk: de auteur heeft niet de pretentie de alleenzaligmakende oplossing aan te reiken, maar maakt, op basis van enkele grootscheepse veranderprojecten uit de praktijk, een zeer grondige en scherpe analyse van hoe veranderprocessen in elkaar zitten, welke fases ze doorlopen en welke aandachtspunten daarbij niet uit het oog mogen worden verloren.
De auteur werkt in zijn boek het “ZevenBouwstenenModel” uit. Dat is vooral een kristallisering van praktijkervaringen tot een theoretisch kader dat de verschillende elementen en samenhang in veranderprocessen laat zien. De bouwstenen die de auteur definieert zijn visie, communicatie, competenties, beslissingsvrijheid, tools, actieplan en waardering.
De auteur beseft dat een dergelijk model wat technisch en structureel kan klinken, maar wijst erop dat er “een evident” verband is tussen de aandacht voor het individu en het model. Als individuen zich goed voelen in een organisatie is dat geen toeval, maar dan wijst dat op de aanwezigheid van een geheel van voorwaarden die het gevolg zijn van managementbeslissingen en –gedragingen, argumenteert hij. Daarbij is de aandacht voor emoties van mensen essentieel. Vooral met negatieve emoties hebben organisaties het moeilijk. In zijn boek toont de auteur uitgebreid aan dat er onder meer een duidelijk verband is tussen weerstand en een gebrekkige communicatie, tussen angst en ontoereikende competenties of tussen ergernis en gebrekkige tools.
Wat de eerste bouwsteen betreft: het al dan niet werk maken van een gedragen en afgelijnde visie, maakt het verschil tussen duidelijkheid en verwarring. Een visie ontwikkelen vergt wel enig denkwerk en dus tijd én moed. Want voor velen is de creatie van visie en missie een moeilijk proces, omdat ze er geen competenties hebben rond opgebouwd. Het gevolg kan angst zijn, wat een bijzondere belemmering kan betekenen voor het verandertraject. Een visie moet vooraf grondig doorgediscussieerd worden en door iedereen op dezelfde manier begrepen. Volgens Wallaert kan een duidelijke en uitdagende visie een organisatie voor jaren op het spoor zetten en houden. Het belang van visie en vooral de manier waarop die tot stand komt, toont de auteur aan op basis van de veranderingen bij Brussels Airport.
De bouwsteen communicatie wordt in vele veranderprocessen verwaarloosd. De auteur put ook hier uitgebreid uit zijn ervaring en geeft enkele richtlijnen mee. Zo drukt hij erop dat de boodschap in de taal van de medewerkers gegeven moet worden en er constante feedback moet zijn. Communicatie moet bovendien worden opgevat als een resultaatsverbintenis: het is expliciet de bedoeling dat iedereen na deelname aan een sessie alles begrijpt. Medewerkers willen immers alleen veranderen als ze begrijpen waarover het gaat en als ze het ermee eens zijn. Dat is slechts één van de vier voorwaarden die de auteur aanhaalt en uitwerkt om weerstand te overwinnen.
Om een veranderingsbeweging succesvol te maken, is het tevens noodzakelijk dat men weet welke kerncompetenties men nodig heeft en of die aanwezig zijn. Het beschikken over die competenties leidt tot zelfvertrouwen, het ontberen ervan leidt tot angst.
De vierde bouwsteen, beslissingsvrijheid, leidt tot initiatief, of bij het ontbreken ervan, tot machteloosheid. De auteur wijst hierbij op het feit dat beslissingsvrijheid niet betekent dat er geen duidelijke afspraken moeten worden gemaakt over wat precies verwacht wordt. Integendeel: onduidelijke afspraken leiden soms tot verlamming. Beslissingsvrijheid houdt juist in dat men de beslissingsruimte duidelijk afbakent. Die vrijheid stelt de medewerkers in staat om in onvoorziene omstandigheden – die eigen zijn aan veranderingsprocessen – sneller keuzes te maken.
De visie moet ook vertaald worden op de werkomgeving – dat is meteen de vijfde bouwsteen. De invloed van een al dan niet doordachte werkomgeving op het welbevinden van de medewerkers en dus op de resultaten kan niet worden onderschat, vindt Wallaert. Zijn die omgeving en de instrumenten die het personeel aangereikt krijgen oké, dan leidt dat tot daadkracht. Zoniet, creëert men ergernis. Net als die “tools”, is een actieplan – de zesde bouwsteen - een noodzakelijk middel om verandering in goede banen te leiden. Dat zorgt immers voor doelgerichtheid.
Tot slot maakt waardering het ZevenBouwstenenModel compleet. Dat ziet de auteur breder dan een billijke verloning.
Tomas Wallaert ontpopt zich vooral als een analist, iemand die aan de hand van praktijkervaring de mechanismen blootlegt die essentieel zijn om veranderingsprocessen te doen slagen. Hij stelt zich nooit belerend, maar vooral verklarend op, en dat maakt zijn boodschap des te sterker.
|
 |
 |
|
|

 |
| Verandering in uitvoering – een samenwerkingservaring in boekvorm |
|
|
|
  |
| |
 |
|
Auteur: Erik-Jan Elfferich |
| |
Uitgeverij: Van Gorcum, 2009 |
| |
ISBN: 978 902324592 6 |
| |
Prijs: 29,99 euro |
| |
 |
“Verandering in uitvoering” is een wat apart boek. Het gaat over samenwerken en over hoe verandertrajecten binnen het werk kunnen worden vorm gegeven. Een van de uitgangspunten van de auteur is dat je geen van tevoren dichtgetimmerd plan kan opzetten, omdat je nooit weet hoe de situatie er uitziet tijdens een proces. Ander uitgangspunt is dat verandering pas optreedt als we iets anders gaan doen. Precies dat is zeer moeilijk, omdat de meeste verandertrajecten vanuit een bekend perspectief en een bekend kader worden bekeken. Daardoor ziet men vaak niet de zeer goede oplossingen die buiten dat vertrouwde kader liggen, waardoor men blijft vasthouden aan ontoereikende veranderingen. Bovendien hebben we last van kopieergedrag. Om het anders te kunnen doen, moet je het echter eerst anders zien, en dat impliceert dat men de vertrouwde ankerpunten durft los te laten.
De auteur definieert de componenten van verandertrajecten. De eerste daarvan is visie. Visie bepalen kan door de juiste doelen te stellen. Maar visie moet tevens worden aangescherpt gedurende het traject op die punten waar blijkt dat ze niet ondersteunend is om op de gewenste manier te gaan werken. Een tweede component is het “transitioneel object”. Dat is eigenlijk het verandertraject zelf, waarbinnen wordt bepaald wat de ingrediënten (zoals attitude, gedrag, samenwerking) van de bestemming moeten zijn, zodat men kan vaststellen of men op de goeie weg is, zonder weliswaar de definitieve eindbestemming vast te leggen. Om verandering te beoordelen, is het noodzakelijk om meet- en ijkpunten vast te leggen, de derde component.
De auteur kiest voor een veranderingstraject dat zeven stappen doorloopt. Na elke stap wordt de visie een stukje aangescherpt, om dichterbij de gewenste werkwijze te komen. Elke stap wordt tevens volgens een vaste structuur behandeld, met een vast vragenlijstje. Telkens wordt de lezer ook uitgenodigd en begeleid om de vertaalslag te maken naar zijn eigen gekozen casus. Op die manier worden de vragenlijsten bijna een invuloefening, en het boek een methodiek, zonder dat eigenlijk te willen zijn.
Het boek onderscheidt zich door zijn aparte opzet en perspectief, maar toch kan men zich afvragen of men als lezer niet hetzelfde traject aflegt – met misschien wel concretere informatie - als men een boek doorneemt waarin enkele reële veranderingstrajecten grondig zijn uitgespit en becommentarieerd.
|
 |
 |
|
|

 |
| De kracht van taal – geef jouw kracht een taal |
|
|
|
  |
| |
 |
|
Auteur: Emilie Depuydt |
| |
Uitgeverij: Kluwer, 2009 |
| |
ISBN: 978 904652003 1 |
| |
Prijs: 72,99 euro |
| |
 |
Woorden hebben kracht. Ze kunnen iemand maken of kraken. Door bewust en doordacht om te gaan met taal, kan men dus beter de woordkeuze en de manier van communiceren afstemmen op het gewenste effect.
Om duidelijk te maken wat mogelijk is met taal, vertrekt Emilie Depuydt vanuit de werking van de geest, hoe mensen neurologisch hun gedachten opbouwen en wat de rol van het woord daarin is. Daarna maakt ze een onderscheid tussen een zeer concrete vorm van communiceren, bijvoorbeeld voor het geven van een opdracht of van feedback en een vager taalgebruik. Bij dat laatste is er meer ruimte voor de ontvanger om er zijn eigen interpretatie aan te geven. Op het eerste zicht lijkt dat niet meteen een voordeel, aangezien dit tot misverstanden kan leiden, maar toch kan dat in bepaalde situaties wel zeer gunstig zijn, bijvoorbeeld om een creatief proces te stimuleren of tijdens een coaching.
De auteur gaat in het boek in op de nuances van taal en op wat woordkeuze onthult over iemands manier van denken. Tussen feiten en reactie, ligt immers interpretatie. Aan alles wat we ervaren en zien, geven we een eigen betekenis. Wat sturend is in ons leven, is niet de omgeving maar onze subjectieve betekenis van die omgeving.
Bovendien zijn we niet in staat onze belevingswereld in zijn geheel te bevatten. Het grootste deel is onbewust. Bewust je aandacht richten, geeft je de ruimte om op ieder moment sturing te geven aan de manier waarop je in het leven staat. En woorden hebben de kracht om aandacht te sturen, zowel die van onszelf als die van anderen.
In een organisatie onderscheidt de auteur acht vormen van communicatie: coaching, sturen, adviseren, feedback geven, feedback ontvangen, brainstormen, slechtnieuwsgesprekken, informele contacten tussendoor. De verschillende facetten van communicatie worden in het boek binnen de context van die vormen belicht.
Opvallend is de grote aandacht die de auteur besteedt aan emotie. Dat komt onder meer omdat emotie heel veel informatie bevat.
“De kracht van taal” geeft een grondige analyse van wat taal en communicatie inhouden en hoe men die bewuster en beter kan hanteren. Het probleem is echter dat de auteur er niet altijd in slaagt om zelf helder en goed gestructureerd te communiceren.
|
 |
 |
|
|

 |
| De Management Toolbox – Managementvaardigheden praktisch besproken |
|
|
|
  |
| |
 |
|
Auteur: RonaldBuitenhuis & Marike van Zanten |
| |
Uitgeverij: Van Duuren Management, 2009 |
| |
ISBN: 978 90 8965014 6 |
| |
Prijs: 28,79 euro |
| |
 |
De Management Toolbox is een praktisch boek over de vaardigheden die elke manager nodig heeft. Elk van die tien vaardigheden wordt in een apart hoofdstuk belicht. Daarbij wordt de vaardigheid in kwestie inhoudelijk telkens duidelijk afgelijnd en grondig uitgediept. De vaardigheden die de auteurs als essentieel beschouwen voor een manager zijn: coaching, timemanagement, presenteren, onderhandelen, vergaderen, conflictmanagement, motiveren, leidinggeven, teamwerk en besluitvorming.
Het boek is meer dan de titel laat vermoeden: naast een praktijkboek is het immers ook een werk dat contexten schetst en duiding geeft. De auteurs zoeken verklaringen waarom bepaalde vaardigheden aan belang winnen. Zo verbinden ze het toenemende belang van coaching aan de maatschappelijke en economische ontwikkeling dat de machtspositie van de baas wordt uitgehold. De samenleving is individualistischer, de werknemer mondiger. Hiërarchische structuren moeten het meer en meer afleggen tegen zelfsturende teams.
Of over de opkomst van timemanagement: vroeger waren een traditioneel to do-lijstje en een agenda voldoende om de eigen tijd en taken te beheren. De nieuwe technologieën en het internettijdperk hebben op dat vlak echter roet in het eten gegooid: e-mails die een dringend antwoord vragen, dwarsbomen de eigen planning en houden het risico in dat men het gevoel krijgt zichzelf voortdurend achterna te hollen. Ook het gegeven dat leidinggevenden meer uit hun ivoren toren komen en een opendeurpolitiek hanteren – wat op zich een goede zaak is – draagt ertoe bij dat men als manager de eigen agenda niet meer in de hand heeft. Vandaar het ontstaan van timemanagement.
Het hoofdstuk over conflictmanagement opent met een uiteenzetting over de mogelijk heilzame werking van conflicten in een organisatie. Een manager die de kunst beheerst om zekere mate van conflict en onrust toe te laten, zal de innoverende en creatieve dynamiek in zijn organisatie stimuleren. Door op die manier het onderwerp aan te snijden, krijgen de volgende onderdelen in het hoofdstuk, zoals “conflicten als kostenpost” of “de vijf dimensies van conflictmanagement”, meteen een ander perspectief.
De auteurs verwijzen voortdurend naar theorieën en vakliteratuur die over een van de vaardigheden zijn uitgewerkt. Herzberg, Kets de Vries, Goleman, Belbin, Maslow, McGregor, De Bono en andere bekende managementdenkers passeren de revue. Daarbij plaatsen auteurs verschillende visies vaak naast elkaar, zonder een al te expliciete mening mee te geven. Het lijkt vooral hun bedoeling om de lezer een palet aan visies voor te schotelen en die zelf een oordeel te laten vellen. Al laten ze op andere momenten wel hun visie doorschemeren. Dat is onder meer het geval in het hoofdstuk motivatiemanagement, waar de theorie van onder meer Maslow als “richtinggevend, maar niet erg concreet of praktisch toepasbaar” wordt omschreven. Ze uiten hun voorkeur voor modernere theorieën als de verwachtingstheorie, de billijkheidstheorie en het taakkenmerkenmodel, die ze dan ook verder uiteenzetten.
In het praktische deel van elk hoofdstuk geven de auteurs adviezen en tips mee over hoe men de vaardigheden in kwestie kan verwerven en aanscherpen. Toch slagen ze er ook hier in om verder te gaan dan oppervlakkige richtlijnen. Als ze bijvoorbeeld bij coaching uitleggen hoe men vragen moet stellen en hoe men feedback moet geven, is dit geen droge opsomming van wat je moet doen en laten, maar gaan ze vooral in op het waarom en het effect ervan.
Op die manier slagen de auteurs erin om over een gegeven als “vergaderen” een vrij uitgebreid hoofdstuk samen te stellen dat zeer praktische gericht is (over omvang van groepen, tafelopstelling, agendabepaling, de rol van de voorzitter, het belang van zijn stijl, de besluitvorming,…) maar toch de platgereden paden weet te vermijden. Er komt zelfs een vleugje geschiedenis aan te pas. En hoewel vaardigheden als vergaderen en presenteren niet meteen levensbelangrijk voor het succes van een organisatie lijken, kunnen ze een positieve invloed uitoefenen, op voorwaarde dat ze inspirerend werken. Maar niet zelden werken ze irriterend…
Aan de andere kant uiten de auteurs zich heel af en toe eens tendentieus en kort door de bocht. Maar dat doet eigenlijk niets af aan de sterkte van het boek, die er juist in bestaat om ingrediënten die veeleer passen in een handleiding te combineren met visie, met achtergronden en ontwikkelingen van en in het managementdenken.
|
 |
 |
|
|

 |
| 10 rituelen van slecht management |
|
|
|
  |
| |
 |
|
Auteur: André De Waal |
| |
Uitgeverij: Van Duuren Management, 2010 |
| |
ISBN: 978 908965027 6 |
| |
Prijs: 19,19 euro |
| |
 |
De jammerlijke, maar onvermijdelijke conclusie van André De Waals boek “10 rituelen van slecht management” is dat er veel slechte managers op deze aardkloot rondlopen. Gelukkig is het boek meer dan een opsomming van de “gaven” van een slechte manager of een handleiding over hoe het vooral niet moet. Want dat brengt natuurlijk geen zoden aan de dijk. Eigenlijk is de focus op slechte managers voor de auteur een alibi om uiteen te zetten wat een high performance organisation (HPO) en high performance individual (HPI) zijn en aan welke voorwaarden moet worden voldaan om tot dat stadium te komen.
Alleszins niet door een manager aan te trekken die het werk van zijn voorganger totaal afbreekt. Dat is immers het eerste wat een slechte manager doet: sterk benadrukken hoeveel onafgewerkte projecten hij heeft geërfd en hoe desastreus de budgettering ervoor staat. Dat stelt hem in staat om het eerste jaar geen resultaatsverbintenissen te moeten sluiten, behalve dan het opruimen van de rotzooi van zijn voorganger. Op die manier zit hij toch al een jaar uit de wind. Dat dit nefast is voor de besluitvaardigheid en actiegerichtheid van de organisatie, spreekt voor zich.
Maar ondanks het uitblijven van concrete acties, heeft de slechte manager het altijd druk, druk, druk (liefst driemaal). Toppunt is dat de slechte manager het inderdaad druk heeft, maar dan wel met de verkeerde dingen.
Slechte managers zijn een meester in geslepen budgettrucjes en eigenlijk is daar nauwelijks aandacht voor, aangezien iedereen in zekere mate dat spel meespeelt. Zo zullen slechte managers hun targets bij het begin van het jaar zo laag mogelijk houden, kwestie van er zeker van te zijn dat ze die halen en daar ook hun bonus voor kunnen opstrijken. Uiteraard is dat dan van een HPO geen sprake: met te lage targets zijn uitstekende resultaten al bij voorbaat uitgesloten.
Wat de resultaten eveneens positief beïnvloedt, is een degelijke communicatie met en coaching van medewerkers. Maar een slechte manager stuurt liever op afstand. Hij is vooral bedreven in het maken van ambitieuze plannen en komt dus niet tot echt overleg met zijn medewerkers. Als hij al communiceert, is het eenrichtingscommunicatie. Daar stuurt hij onder meer op aan door zich te beperken tot financiële (en dus abstracte) rapportering, die de dialoog met de medewerker mogelijk maakt.
De slechte manager is ook onderlegd in het afschuiven van verantwoordelijkheid als dingen fout lopen. Er is altijd wel iemand anders die schuld heeft. In die zin is de huidige crisis een godsgeschenk: alles wat fout loopt, kan op de rekening van de recessie worden geschreven. En na de crisis zal het misschien wel aan de krappe arbeidsmarkt liggen of aan die ene zwalk presterende medewerker in het team. Een dergelijke houding tast het vertrouwen aan.
Een slechte manager zorgt er ook voor dat hij nooit langer dan drie jaar in dezelfde functie blijft. Terwijl de eerste twee jaar nog kunnen gelden als een inloopperiode, is het derde jaar voor het management immers vaak het jaar van de waarheid. Dan krijgt men pas echt een zicht op de oogst van wat men gezaaid heeft. Maar omdat de slechte manager niets zaait wat geoogst kan worden, maakt hij zich uit de voeten voor anderen hem daartoe verplichten. Ook dat staat haaks op de principes van een high performance organisation: dat streeft ernaar om managers langer in een zelfde functie bij de organisatie te houden, zodat er een “organisationeel geheugen” ontstaat, waarin de collectieve leerervaringen van de organisatie zijn opgeslagen. In de HPO streeft men er ook naar om nieuw management in grote mate van binnenuit te laten doorgroeien. Dat vergt echter tijd. Bovendien wordt van de managers in functie gevraagd om opkomende managementtalenten te coachen. Maar als die coaches te snel vertrekken, lukt dat uiteraard niet en dus zal nieuw management in hoofdzaak extern moeten worden gezocht.
Maar in het laatste hoofdstuk – na 100 bladzijden - geeft de auteur toe dat het weinig constructief is om een boek te schrijven dat zeer sterk focust op hoe het niet moet. Daarom eindigt hij met een opsomming van essentiële kenmerken van een high performance individual en licht die toe. Het lijstje eigenschappen bevat niet meteen echt verrassende elementen, maar tegelijkertijd weet iedereen dat er tussen droom en daad nogal wat afstand ligt. Met “10 rituelen van slecht management” heeft André De Waal een boek geschreven dat op een vrij lichtvoetige manier een analyse maakt van waar het vaak fout gaat in de organisatie: het management. De auteur voegt weinig nieuwe inzichten toe aan het denken daarover, maar legt wel de vinger op de wonde. Management is te belangrijk om er lichtzinnig mee om te springen. Toch gebeurt dat, want je kan er van op aan dat zowat elke lezer bazen kent die in aanzienlijke mate beantwoorden aan het profiel van een slechte manager.
|
 |
 |
|
|

 |
| Bore-out – Als verveling je werk wordt |
|
|
|
  |
| |
 |
|
Auteur: Philippe Rothlin en Peter R. Werder |
| |
Uitgeverij: Spectrum, 2009 |
| |
ISBN: 978 90 49102197 |
| |
Prijs: 14,24 euro |
| |
 |
In Duitsland blijkt 87 procent van alle werknemers zich slechts in beperkte mate betrokken te voelen bij de onderneming. Zeven op de tien daarvan geven als reden daarvoor dat ze een functie uitoefenen die hen niet ligt. In 2005 werden ruim 10.000 werknemers ondervraagd in opdracht van Salary.com en AOL over tijdverspilling op het werk. Bijna een derde ervan gaf daarin aan niet genoeg werk te hebben en dus onderbelast te zijn.
Met dergelijke voorbeelden geven Philippe Rothlin en Peter R. Werder, de auteurs van “Bore-out. Als verveling je werk wordt” aan dat bore-out helemaal geen marginaal gegeven is, zelfs niet in deze tijden van arbeidsstress en toenemende prestatiedruk. Waar een deel van het personeel gebukt gaat onder stress, is er een ander deel dat zich verveelt. De auteurs zeggen het minder scherp, maar koppelen beide wel aan elkaar als complementaire elementen, als yin en yang.
Hoewel bore-out het tegenovergestelde van burn-out is, zijn de symptomen zeer gelijkaardig: het leidt tot demotivatie en ontevredenheid – in het eerste geval door een gebrek aan uitdaging (zowel kwalitatief als kwantitatief), en in het andere geval door een overdreven werkdruk.
Die verleiding is groot om medewerkers die aan bore-out leiden, als lui te omschrijven. Dat is echter lang niet altijd het geval. Meestal kiest een werknemer, althans niet bij aanvang, voor de situatie waarin hij verkeert. Integendeel: mensen met bore-out zijn dikwijls ook het meest ontevreden. De oorzaak van hun verveling zit niet op de eerste plaats in henzelf, maar ligt aan het feit dat in de verkeerde functie, of bij de verkeerde werkgever werken.
De meeste werknemers willen zich ontwikkelen en willen laten zien wat ze in huis hebben, is de overtuiging van de auteurs. Dat een werknemer niet wil werken, is een mythe. Nietsdoen op het werk geeft voor de meesten dan ook allerminst een goed gevoel. Een beetje vrije tijd is best oké, maar een medewerker die te lang niets doet voelt zich helemaal niet vrij of tevreden. Bovendien zal hij het gebrek aan werk trachten te camoufleren, en dat is een vermoeiende bezigheid.
Een bore-out ontwikkelt zich sluipend en is daardoor ook heel moeilijk te detecteren – zelfs door de persoon in kwestie zelf. Langzaam maar zeker verliest de medewerker zijn motivatie en begint hij tactieken te ontwikkelen om werk van zich af te houden. De vrije tijd wordt op de duur echter een last. Bore-out impliceert dan ook een paradox: er is enerzijds de angst van de werknemer om stress te ervaren – wat leidt tot het wegduwen van werk – en anderzijds is er het inzicht dat nietsdoen op het werk alleen maar tot meer ontevredenheid leidt.
Kantoorjobs zijn het meest gevoelig voor bore-out. Dat komt omdat de resultaatsverbindingen in dergelijke functies dikwijls niet zeer concreet zijn en de persoon in kwestie een relatieve zelfstandigheid geniet in het uitvoeren van zijn werk. Bovendien werkt de digitalisering bore-out in de hand: sinds de opkomst van internet liggen alternatieven voor het uitvoeren van jobgerelateerde opdrachten voor het rapen.
De auteurs wijzen er voorts op dat de industrialisering en toenemende specialisatie niet vreemd zijn aan het fenomeen: daardoor trad immers een vervreemding van het product op. Bovendien heeft specialisatie tot gevolg dat de drempel om voor een andere job te kiezen, verhoogt. Wie zich een aantal jaar in een bepaalde specialistische, wordt minder interessant voor functies waarvoor die kennis niet nodig hebt. Door de specialisatie worden andere functies die men misschien wel interessant zou vinden, moeilijker bereikbaar.
Bore-out manifesteert zich op de duur ook buiten de werktijd en resulteert in een algemene ontevredenheid en neiging tot depressie.
Bore-out is voor de werkgever niet alleen nadelig omdat de werknemer veel minder presteert dan binnen zijn mogelijkheden ligt, maar ook omdat zijn gedrag, bijvoorbeeld bij klantencontacten, ook het imago van het bedrijf kan schaden.
Volgens de auteurs is bore-out bijgevolg een fenomeen waar de HR-afdeling alert moet voor zijn. Maar tegelijkertijd vinden ze dat men er te gemakkelijk aan voorbij gaat, onder meer met het argument dat ook zogenaamde onproductieve tijd productief kan zijn. Dat bijvoorbeeld werknemers die geregeld een praatje slaan met elkaar, niet noodzakelijk nefast hoeft te zijn voor de bedrijfsprestaties, aangezien dat de sfeer, de teamgeest en de motivatie ten goede kan komen. Door dit argument nogal vlotjes van tafel te vegen, gaan de auteurs hier iets te ver en lijken ze elk niet-productief moment tijdens een werkdag met bore-out te linken. Dat is er natuurlijk over.
Bore-out los je niet op door meer te controleren, benadrukken de auteurs. Dat lost immers het probleem niet op, maar bestrijdt enkel de symptomen. De enige manier om bore-out te “genezen”, is werken aan de eigen verantwoordelijkheid van de betrokken medewerker. Uiteraard is dat op de eerste plaats een zaak voor de persoon in kwestie zelf, maar evenzeer is het een element in het (HR-)beleid, namelijk door functies aantrekkelijk te maken, taakinhoud met zin te creëren, open te staan voor suggesties en interesses van medewerkers.
|
 |
 |
|
|

 |
| De zijderoute naar de top – strategisch leiderschap voor vrouwen |
|
|
|
  |
| |
 |
|
Auteur: Mirella Visser |
| |
Uitgeverij: Business Contact, 2009 |
| |
ISBN: 978 90 4700260 4 |
| |
Prijs: 19,08 euro |
| |
 |
Met haar boek wil auteur Mirella Visser bijdragen aan de toename van vrouwen in topposities in het bedrijfsleven en de maatschappij. Want, hoewel het aantal symposia en initiatieven om dat doel te bereiken nooit zo groot is geweest, blijven resultaten uit. Ze baseerde haar boek in grote mate op de meest gestelde vragen tijdens haar lezingen en workshops over vrouwen en leiderschap. Het boek is echter veel meer dan een handleiding voor vrouwen om hogerop te geraken. Het biedt boeiende inzichten in hoe mechanismen omtrent doorgroei en promotie werken en hoe je als (vrouwelijk) individu op die mechanismen kan inspelen om je carrière uit te bouwen.
Er zijn onmiskenbaar verschillen tussen mannen en vrouwen in de manier waarop ze hun loopbaan uitbouwen. Visser gebruikt de zijderoute – een zeer belangrijke, maar ook risicovolle handelsroute tussen Oost en West van in de oudheid tot de middeleeuwen - als metafoor voor het vrouwelijke carrièrepad, en plaatst dat tegenover de traditionele marsroute: het hiërarchische, lineaire en logische pad naar de top van de organisatie. Vrouwen volgen immers andere wegen dan de gebruikelijke. Ze hebben onder meer te maken met meer loopbaanonderbrekingen en periodes van deeltijds werk omwille van de zorg voor de kinderen of ouderen.
Uit de analyse van de veel gestelde vragen, die de auteur thematische groepeert in enkele hoofdstukken, komt een patroon dat inzicht geeft in de redenen waarom vrouwen vaak niet de promotie krijgen die zij verdienen of de baan die ze ambiëren. Veel vrouwen gaan er in het begin van hun carrière van uit dat, als ze goed presteren, promoties en interessante loopbaanopportuniteiten vanzelf komen. Maar uitstekend werk leveren, wordt niet altijd in promoties vertaald. Daarvoor spelen ook andere componenten mee: het opbouwen en gebruiken van macht, de kracht van imago en zelfpromotie. De auteur analyseert elk van die aspecten diepgaand en tekent daaropvolgend een strategie uit om met succes de top te bereiken. Zo’n strategie begint bij een degelijke planning. Die impliceert het vermogen om vooruit te zien, wat op zijn beurt een open blik vergt en de bereidheid om informatie in te winnen over je doel en de weg erheen. Hoe men dat doel moet bereiken, is het onderwerp van een tactisch plan: een gestructureerde manier om vooraf bedachte acties uit te voeren.
Het boek is dan ook meer dan een pleidooi voor meer vrouwen aan de top, maar biedt evenzeer een algemene omkadering en strategie om door te groeien naar een topfunctie, met geregeld specifieke aandacht voor de situatie van de vrouw in die context.
Nog altijd leeft immers het idee dat vrouwen geen competente leiders kunnen zijn, met het gevolg dat discussies over vrouwen aan de top zich in een verkeerde richting ontwikkelen. Een voorbeeld daarvan is de quotadiscussie die in vele Europese landen aan de gang is. Het meest gehoorde bezwaar tegen wettelijk vastgelegde quota is dat die kunnen leiden tot incompetente vrouwen aan de top. Maar, zegt de auteur: nooit wordt in deze discussie de vraag gesteld of de mannen die aan de top zitten wel capabel zijn. Met andere woorden: mannen worden geacht competent te zijn terwijl vrouwen geacht worden niet competent te zijn, tenzij ze het tegendeel bewezen hebben. Veel vrouwen die tijdelijk minder werken om zorgtaken uit te voeren worden bovendien beoordeeld als minder ambitieus en minder carrièregericht. In contrast daarmee staat het gemak waarmee wordt geaccepteerd dat mannen er een MBA-studie naast doen of externe cursussen geven.
Een initiële vraag die rijst is of vrouwen effectief anders leiding geven, dan wel of het veeleer om perceptie gaat. Wetenschappelijke studies hebben aangetoond dat vrouwen inderdaad op sommige leiderschapskwaliteiten anders scoren dan mannen. Vrouwelijke leiders gebruiken meer gedrag dat participatief en democratisch is en zijn meer gericht op interpersoonlijke relaties dan mannen. Vrouwen die typisch mannelijke leiderschapskenmerken vertonen worden beoordeeld als minder effectief dan mannen die zich zo gedragen. Dit heeft vooral te maken met het verwachtingspatroon dat mannen en vrouwen hebben tegenover effectief leiderschap.
Vrouwen voegen iets extra’s toe aan leiderschap en zorgen bijgevolg voor een betere kwaliteit van de besluitvorming. In deze argumentatie worden vrouwen verondersteld om de verpersoonlijking te zijn van de goede vrouwelijke eigenschappen zoals empathie, zorgzaamheid, gericht op samenwerking en aandacht voor mensen en hun emoties. Deze eigenschappen worden geplaatst tegenover de zogenaamde mannelijke eigenschappen als resultaatgerichtheid en zakelijkheid. Uiteraard is in de praktijk noch het een noch het andere zaligmakend, maar is een combinatie van beide groepen eigenschappen noodzakelijk. De zijderoute naar de top is een interessant boek, dat verder gaat dan de klassieke discussie over het glazen plafond.
|
 |
 |
|
|

 |
| Slaap je slim! – Hoe win je tijd zonder iets te missen |
|
|
|
  |
| |
 |
|
Auteur: Guus Pijpers |
| |
Uitgeverij: Nieuw Amsterdam Uitgevers, 2009 |
| |
ISBN: 978 90 46805503 |
| |
Prijs: 18,99 euro |
| |
 |
Guus Pijpers, directeur van Acuerdis en tevens als associate professor in Information Behavior verbonden aan de TiasNimbas Business School in Tilburg, schetst in zijn boek Slaap je slim! uitvoerig de manier waarop onze maatschappij en werkomgeving geëvolueerd zijn naar een informatiesamenleving: nooit eerder kwam er zoveel en zo snel informatie op ons af.
Wie goed met informatieverwerking kan omgaan, haalt meer waarde uit zijn leven, vindt de auteur. Slimmer worden betekent volgens hem zich bewuster worden van welke informatie men kiest uit het overaanbod, hoe men dat doet en hoe men die informatie in het geheugen moet opslaan. Slimmer worden betekent ook keuzes maken: wat wil je en wat moet je weten.
We moeten vaardig met informatie kunnen omgaan, zowel in privé- als in werksituaties. We moeten manieren vinden om fysieke, digitale en mentale informatie toegankelijk te maken en te houden. Al die informatiebronnen beïnvloeden elkaar dan nog eens.
We verzamelen, ordenen en verspreiden een heleboel informatie met als doel grip te krijgen op onze omgeving en tijd. Maar vaak gebeurt het tegenovergestelde: doordat onze aandacht naar zoveel zaken tegelijk uitgaat, krijgen we helemaal geen grip op de situatie.
De auteur gaat uitgebreid in op hoe onze hersenen informatie verwerken en hoe ons geheugen werkt. Hij stipt daarbij aan dat de werking van het brein vele malen complexer is dan de werking van een computer. Informatie wordt niet op een plaats opgeslagen en bepaalde functies kunnen door andere delen van de hersenen worden overgenomen. Waar de informatie precies wordt opgeslagen, is niet van belang, zolang de toegang maar is geregeld. In die zin is het menselijk brein te vergelijken met Google: we zoeken en vinden daar informatie, maar waar die is opgeslagen, speelt geen rol. Internet speelt volgens de auteur dan ook in op de manier waarop de mens denkt: we zijn al eeuwenlang gewoon om in verbanden te denken, in links, dus.
Wat tevens een belangrijke rol speelt in ons informatiegedrag, is serendipiteit. Dat is de vaardigheid om, met behulp van toeval en intelligentie, een niet-gezochte vondst te doen. Of anders gezegd: men zoekt iets, maar vindt iets totaal anders, dat men dan ook goed weet te gebruiken. Zoekmachines leveren veel toevallige informatie op. Die kom je ook tegen in de bibliotheek, bij ontmoetingen, enz. Maar ook die toevalligheden kan men regisseren.
Dat vergt wel een grondige analyse van het eigen informatiegedrag.
Informatiestress ontstaat wanneer we onder constante druk staan om informatie te blijven ontvangen, verwerken en verspreiden en niet de mogelijkheid hebben om rust in te bouwen tussen twee stressvolle situaties. De symptomen van informatiestress zijn duidelijk: de aandacht verslapt en versnippert, we krijgen niets meer af, we begrijpen de informatie niet meer goed, verliezen ons geduld, enz. Stress vermindert tevens de werking van het geheugen. Stress was vroeger een overlevingsmechanisme: het maakte ons lichaam klaar voor de strijd of vlucht. Als het gevaar was geweken, kon het lichaam weer tot rust komen. Maar daar nijpt het schoentje: tegenwoordig blijven veel mensen in een stresstoestand en geven hun lichaam niet de kans om te herstellen.
De auteur besteedt naar aanleiding daarvan ook aandacht aan een gezonde levenshouding, zowel in voeding – dat een invloed heeft op de werking van het brein, concentratie, informatieverwerking e.d. – en in het toestaan van rustperiodes. Vandaar overigens de titel van het boek: rust en slaap zijn onontbeerlijk voor een efficiënte informatieverwerking. Het gezegde “Slaap er eens een nachtje over”, is meer dan een dooddoener. Slapen heeft immers een herstellend effect en biedt de hersenen de mogelijkheid om de informatie die men de dag voordien heeft opgedaan, verder te verwerken. Voldoende slapen zorgt ervoor dat we nieuwe informatie beter kunnen onthouden. Slapen is dus veel beter dan eindeloos herhalen.
Analoog daarmee is het gegeven dat hard werken pas echt efficiënt is als dat gepaard gaat met geregelde pauzes. De informatieproductiviteit neemt toe als men slim pauzeert. Dat betekent niet alleen dat men (mentale) rustperiodes inbouwt, maar ook dat men informatie langzamer opneemt: langzamer lezen, snelheid uit gesprekken halen, zodat het brein de tijd krijgt om de info te verwerken.
Hoewel de auteur soms te veel en te ver uitweidt en hier en daar al eens een gratuite bewering doet, biedt zijn boek bijzonder boeiende inzichten en bruikbare adviezen om verstandiger en gezonder met informatie om te gaan. En aangezien steeds meer mensen als kenniswerker aan de slag zijn, is dat geen overbodige luxe.
|
 |
 |
|
|

 |
| Opzetten of uitbouwen van mentorschap in uw organisatie |
|
|
|
  |
| |
 |
|
Auteur: Helga Gielen en Sara De Clerck |
| |
Uitgeverij: Kluwer, 2009 |
| |
ISBN: 162 |
| |
Prijs: 978 90 4652000 0 |
| |
 |
Mentoring is een vorm van individuele begeleiding op de werkplek waarbij één persoon een andere helpt bij zijn ontwikkeling. De begeleider gebruikt de grotere kennis, expertise en ervaring om de lerende te helpen de gewenste competenties te ontwikkelen. De interesse voor mentoring – of peter- en meterschap - als ontwikkelingsstrategie voor medewerkers neemt de jongste jaren toe. Mensen leren immers het best wanneer ze leren van anderen op de werkplek. Met het boek Opzetten of uitbouwen van mentorschap in uw organisatie willen de auteurs HR- en opleidingsverantwoordelijken een handleiding aanreiken om een formeel mentoringprogramma uit te bouwen.
De auteurs onderscheiden verschillende vormen van mentoring: mentorschap kan op individueel of groepsniveau, voor nieuwkomers maar ook voor medewerkers die al geruime tijd in de organisatie actief zijn, face-to-face of via e-mentoring. De auteurs besteden vrij veel aandacht aan die verschillende vormen van mentoring en maken tevens een duidelijk onderscheid met coaching. Tussen coach en gecoachte bestaat een hiërarchische relatie. De werkresultaten staan er centraal. Tussen mentor en mentee bestaat er een gelijkwaardige relatie. Bij mentoring staat het leerproces centraal.
Volgens de auteurs is het essentieel dat mentoring een onderdeel is van het human resources management. De kwaliteit van mentoring en de resultaten die het oplevert, hangen af van de keuze van de mentoren, het managen van de relaties en de evaluatie van het succes. HR-professionals moeten begrijpen wanneer mentoring de meest gepaste en effectieve interventie tegenover andere leer- en ontwikkelingsopties is. HR moet dus in staat zijn om ene pool van degelijke mentoren samen te stellen, in te schatten wanneer die het best ingezet worden en hoe ze het best aan de lerenden gekoppeld worden, en in de nodige ondersteuning voorzien.
Bovendien is, hoewel een duidelijk beleid en concrete afspraken terzake zeer aangewezen zijn, een one-size-fits-all aanpak niet aan te raden. Afhankelijk van hun positie en niveau binnen de organisatie, kunnen mentees immers nood hebben aan een zeer specifieke vorm van steun vanwege de mentor.
En mentorschap moet natuurlijk ook geëvalueerd worden, en daar gaat men vaak stiefmoederlijk mee om, stellen de auteurs vast. Nochtans is evaluatie essentieel voor het kwaliteitsbeleid en de professionalisering van de mentorprogramma’s.
Een dergelijk programma kan pas slagen als vooraf duidelijke doelen zijn vastgelegd. Tevens is het belangrijk dat mentor en mentee een algemeen begrip hebben van leerprocessen en leerstijlen. Die kennis is de sleutel om effectiever te worden in het zogenaamde ervaringsleren. Het stelt de mentor immers in staat om doordachter ervaringen te kiezen die overeenkomen met de leerstijl van de mentee – wat op zijn beurt natuurlijk een bewustzijn inhoudt van de eigen leerstijl.
De auteurs staan op een zeer systematische manier stil bij de valkuilen die met mentorschap gepaard kunnen gaan en reiken telkens mogelijke oplossingen aan.
De auteurs serveren in hun boek een bloemlezing van vakliteratuur waarin de voordelen van mentorprogramma’s worden toegelicht. De mentor verwerft didactische en intermenselijke vaardigheden en ervaren afwisseling in hun job. De mentees verhogen er hun kennis en vaardigheden op korte termijn door en ontwikkelen een begrip over hoe een organisatie werkt. De organisatie als geheel ziet een verhoogde productiviteit bij zowel de mentee als de mentor – onder meer door een grotere motivatie - en bovendien zorgt een mentorprogramma voor een efficiënte overdracht van de organisatiecultuur.
Het boek is, zoals de auteurs zelf aangeven, zeer praktisch gericht, maar dat betekent geenszins dat de lezer getrakteerd wordt op een vrijblijvende opsomming van do’s en don’ts. Integendeel: het boek geeft een zeer volledig beeld van wat mentorschap inhoudt, hoe men dat het best organiseert en hoe men valkuilen en problemen kan ontwijken. De vele bedrijfscases maken het plaatje volledig.
Opzetten of uitbouwen van mentorschap in uw organisatie leent zich dan ook bijzonder goed als handleiding en naslagwerk voor elke organisatie die een vorm van mentorschap wil invoeren of al toegepast heeft, maar daar tot nog toe weinig systematiek en methodiek in heeft aangebracht.
|
 |
 |
|
|

 |
|
  |
| |
 |
|
Auteur: Luc Dewulf |
| |
Uitgeverij: Lannoo/Scriptum 2009 |
| |
ISBN: 978 90 77432310 |
| |
Prijs:24,95 euro |
| |
 |
Doen waar je goed in bent en je talent inzetten, dat is het centrale thema van “Ik kies voor mijn talent”, het recente boek van opleidingsadviseur Luc Dewulf. Dat uitgangspunt blijkt echter een voorrecht te zijn voor de happy few: onderzoek wijst uit dat in 2007 slechts 12 procent van de respondenten bevestigend reageerde op de vraag of ze het grootste deel van de dag konden doen waar ze goed in waren. Dat is een probleem, want het is al vaker aangetoond dat er een positief verband bestaat tussen je talenten kunnen inzetten en betrokkenheid en betere werkresultaten. De auteur spreekt in die context van positieve emoties: kunnen doen waar je goed in bent, leidt tot een gevoel van welbevinden. En dat werkt als een spiraal: mensen die meer positieve emoties hebben, ontwikkelen een grotere veerkracht waardoor ze beter bestand zijn tegen tegenslagen. En daardoor hebben ze meer kans op meer positieve emoties.
Maar om je talenten goed in te kunnen zetten, moet je natuurlijk wel weten wat je talenten zijn - en wat talent als algemeen begrip precies inhoudt. Daar besteedt de auteur nogal wat aandacht aan. Volgens hem betekent talent het hebben van een natuurlijke aanleg, een gave. Het gaat over patronen in ons denken en handelen die van nature sterk zijn ontwikkeld. Met andere woorden: volgens de auteur zegt talent op de eerste plaats iets over het potentieel van mensen. Talent hebben is dan ook niet voldoende om resultaat te boeken. Daarom maakt de auteur een verschil tussen talent en “talent in actie”, wat staat voor de combinatie van talent, gedrag en context. Met tal van voorbeelden uit de realiteit toont de auteur het belang van context aan.
Naast talent onderscheidt de auteur ook “hefboomvaardigheden”. Die stellen iemand in staat om meer te halen uit hun talent. Een voorbeeld: iemand die zeer empathisch is, zeer goed aanvoelt hoe een werksfeer zit, sterk is in het “lezen” van non-verbale signalen en zich snel kan inleven in de situatie van iemand anders, doet er goed aan om de hefboomcompetentie te ontwikkelen die hem in staat stelt op bepaalde momenten ook afstand te nemen en de situatie van zich af te zetten.
Talent kan ook niet los gezien worden van motivatie. Kiezen voor je talent betekent dat je op zoek gaat naar nieuwe uitdagingen, en je je bewust bent van je drijfveren en aspiraties en dat je zoekt naar mogelijkheden om die uitdagingen te realiseren. Daaruit ontstaat creatieve spanning: een spanning die erop gericht is om visie en realiteit dichter bij elkaar te brengen - door zich te ontwikkelen, extra leerinspanningen te leveren. Talent hebben betekent dan ook helemaal niet dat leren en ontwikkelen niet nodig zijn, wel integendeel. Talent in actie impliceert immers dat je plezier en energie vindt in het uitgedaagd worden.
Kiezen voor talent en voor hoge uitdagingen leidt automatisch tot innovatie en kennisproductiviteit, het vermogen om nieuwe en relevante informatie op te sporen en op zo’n manier te vertalen naar de eigen werkomgeving dat het leidt tot verbeteringen en vernieuwingen die een verschil maken.
Hoe dan ook pleit de auteur voor een duidelijk onderscheid tussen talent en competentie. Een competentie drukt uit wat het gedrag is dat in een bepaalde context wordt verwacht. Talent in actie houdt in dat je in een bepaalde context gedrag ontwikkelt bij dat talent. Een talent in actie betekent dus altijd dat je competent bent. Maar competent zijn betekent niet altijd dat je talent hebt.
Luc Dewulf verkiest bijgevolg talentontwikkeling boven competentiemanagement. Dat laatste is vooral belangrijk als vehikel voor het communiceren wat de verwachtingen zijn van een organisatie en wat van medewerkers wordt verwacht in een bepaalde rol of functie. Hij ontkent niet dat het op bepaalde domeinen zeer belangrijk blijft om tekorten weg te werken. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer het gaat om veiligheid, toepassen van de wetgeving, basisvereisten van een functie of productieproces. Maar in de meeste gevallen is talentontwikkeling als uitgangspunt aangewezen. Bovendien zijn leerprocessen die starten vanuit het talent - en niet vanuit de zogenaamde competentiegap - veel leuker en effectiever, onder meer omdat ze veel minder energie vergen.
Het boek van Luk Dewulf is niet de zoveelste etappe in de discussie over talent en competenties, want gaat gevoelig dieper dan vele andere literatuur ter zake. De auteur is zeer beschouwend maar, hoewel zijn pogingen om zijn theorieën in structuren en figuren te gieten soms wat geforceerd zijn, slaagt erin om voortdurend de link te leggen met de dagelijkse praktijk. Het werk biedt ontegensprekelijk een meerwaarde voor al wie bezig is met talent en talentontwikkeling. En zijn we dat niet allemaal?
|
 |
 |
|
|

 |
|
  |
| |
 |
|
Auteur: Jeff Gaspersz |
| |
Uitgeverij: Pearson Education, 2009 |
| |
ISBN: 978 904301728 2 |
| |
Prijs: 14,57 euro |
| |
 |
Innovatie steunt op drie belangrijke pijlers: creativiteit, betrokkenheid en kennis. Zonder creativiteit ontstaan niet de ideeën die men nodig heeft om te kunnen innoveren. Zonder betrokkenheid willen werknemers niet meedenken met de organisatie en met nieuwe ideeën komen. Maar de betrokkenheid en de creativiteit kunnen nog zo hoog zijn, als het aan kennis ontbreekt, zal het innovatieproces niet van de grond komen.
Op die manier benadrukt Jeff Gaspersz, auteur van “Dagelijks innoveren” hoe een innovatiegerichte organisatiecultuur tot stand komt. Volgens hem ligt de bron van innovatiekracht dan ook niet in structuren, processen of strategieën, maar is het een resultaat van gedrag van medewerkers en leidinggevenden die hun kennis, creativiteit en betrokkenheid richten op verbetering en vernieuwing. “Innovatiekracht ontstaat wanneer medewerkers in staat en bereid zijn om het eigen werk vanaf een zekere afstand te bekijken en zich af te vragen: kan dit ook slimmer, sneller, beter?” Daar moeten die medewerkers dan natuurlijk ook de tijd en de ruimte voor krijgen en ze moeten minstens het gevoel krijgen dat hun voorstellen worden au sérieux genomen. De auteur legt op dat vlak de verantwoordelijkheid sterk bij de leidinggevenden: zij moeten uitstralen dat er mogelijkheden zijn voor nieuwe dingen. Leidinggevenden kunnen het creativiteitsproces immers bevorderen, maar ook smoren.
In zijn boek gebruikt de auteur de metafoor van de rode en blauwe oceaan: vele bedrijven zijn actief in de rode oceaan: het is er overbevolkt, en er is een bloedig gevecht aan de gang tussen bedrijven die zich erop richten om de concurrenten te verslaan. De bedrijven in de blauwe oceaan volgen een andere strategie: ze concentreren zich niet op de concurrentie, maar op waarde-innovatie: “Het creëren van zo’n forse waardeverhoging voor klanten dat je vrij komt van de concurrentie.”
Een dankbaar voorbeeld hiervan is Cirque du Soleil: in het kleine wereldje van grote circussen heerste een grote concurrentieslag. De initiatiefnemers van Cirque du Soleil plaatsten zich daar volledig buiten door circus te verbinden met theater en muziek. Voor circusliefhebbers boden ze een totaal nieuwe benadering en bovendien trokken ze daarnaast ook een ander publiek aan. Met andere woorden: ze zwommen alleen in de blauwe oceaan.
Innovatie heeft dan ook te maken met de wil om in de blauwe oceaan terecht te komen. En dat heeft op zijn beurt te maken met anders kijken. Men moet buiten de vertrouwde kaders durven kijken en oude patronen doorbreken. Dat impliceert soms dat medewerkers uit hun comfortzone moeten worden gehaald en dat leidinggevenden bijgevolg soms provocerend moeten zijn. Voor innovatie is dan ook een zekere mate van onrust en innovatie noodzakelijk, uiteraard zonder verlammend te werken, argumenteert Gaspersz.
Innoveren hoeft niet per se radicaal te zijn of veel geld te kosten. De auteur verwijst in dat verband naar Southwest Airlines, waar de CEO elke medewerker een brief toezond waarin hij vroeg om, binnen de maand, een idee aan te brengen dat de operationele kosten in de eigen werkomgeving met minstens vijf dollar zou kunnen drukken. Hij vroeg niet om doorbraakideeën, maar om kleine, beperkte voorstellen. De CEO creëerde op die manier niet alleen een grote betrokkenheid - de ideeën stroomden binnen - maar bereikte ook het beoogde doel: het totaal aan weerhouden ideeën leverde voor miljoenen dollars besparingen op.
Op het belang van betrokkenheid komt de auteur geregeld terug: we vragen een dubbele betrokkenheid van de medewerkers, vindt hij: “We vragen medewerkers het werk met volle betrokkenheid uit te voeren. Maar we vragen ook om wegen te zoeken om de werkprocessen te verbeteren. En eigenlijk vragen we dus om vrijwilligerswerk. In geen enkele arbeidsovereenkomst is opgenomen dat de medewerker contractueel verplicht is om elke maand met nieuwe ideeën te komen.”
De auteur gaat in het boek ook dieper in op het belang van Personeel & Organisatie. P&O moet nagaan in hoeverre het HR-instrumentarium innovatiegericht gedrag stimuleert dan wel remt. Dat impliceert onder meer dat de HR-afdeling ook haar eigen manier van werken en kijken zal moeten analyseren. Hoe dan ook kan P&O, met een voldoende kritische geest, een motor worden in creativiteits- en innovatieprocessen in een organisatie.
Met “Dagelijks innoveren” leverde Jeff Gaspersz een zeer inspirerend boek af, dat doordachte visie combineert met interessante voorbeelden en hier en daar wat praktische tips. Het boek is bovendien op zo’n manier samengesteld dat het dankbaar is om bij de hand te houden, en af en toe naar terug te grijpen. Want hoewel er een duidelijke lijn in het boek zit, is het opgebouwd aan de hand van verschillende los van elkaar staande hoofdstukken. In een realiteit waar de zapcultuur de norm is geworden, is dat een troef.
|
 |
 |
|
|

 |
| Zwart op Wit - de intrede van allochtonen op de arbeidsmarkt |
|
|
|
  |
| |
 |
|
Auteur: Ignace Glorieux, Ilse Laurijssen en Yolis Van Dorsselaer |
| |
Uitgeverij: Garant, 2009 |
| |
ISBN: 978 90 4412482 8 |
| |
Prijs:14,90 euro |
| |
 |
Dat de instroom van mensen van Turkse of Noord-Afrikaanse origine op de arbeidsmarkt veel moeizamer verloopt dan die van autochtonen of andere allochtonen, is genoegzaam bekend. In “Zwart op Wit - de intrede van allochtonen op de arbeidsmarkt” brengen drie onder- zoekers van de Vrij Universiteit Brussel (Onderzoeksgroep TOR - vakgroep Sociologie) in kaart in welke mate de beroepspositie van allochtone jongeren beïnvloed wordt door etnische en sociale achtergrond, onderwijsniveau en -resultaten. Rode draad door het boek is een onderzoek waarbij allochtone en autochtone jongeren met elkaar worden vergeleken, op basis van een grootschalige peiling bij 9000 Vlaamse jongeren, uitgevoerd door de interuniversitaire onderzoeksgroep SONAR (Studiegroep van Onderwijs naar Arbeidsmarkt).
De onderzoekers gaan onder meer na in welke mate de onderwijsachterstand de directe oorzaak is voor de achterstand van de allochtonen op de arbeidsmarkt. Dat die opleidingshandicap een essentiële rol speelt, mag duidelijk zijn. Dat is ook vrij logisch: als capaciteiten worden ontwikkeld tijdens de opleidingsperiode, en dat wordt ook gecertificeerd in een diploma, dan maakt dit je sterker op de arbeidsmarkt. En het probleem is gigantisch: ruim de helft van de jongeren van Turkse of Noord-Afrikaanse origine beschikt niet over een diploma secundair onderwijs.
De gevolgen op de arbeidsmarkt blijven niet uit: de betrokken groepen zijn een jaar na het verlaten van de school twee keer zo vaak niet-werkend als allochtonen van Zuid-Europese herkomst en drie keer zo vaak als autochtone jongeren. Vinden ze dan wel een eerste baan, dan werken ze meer dan andere bevolkingsgroepen in een arbeidersstatuut, in minder gezonde omstandigheden, minder met vaste contracten, dikwijls ook voor een beperkter loon.
Nochtans is het verhaal complexer dan dat. Het heeft onder meer te maken met de maatschappelijke positie en de sociale achtergrond van de allochtonen. Hun ouders zijn vaker laag opgeleid, hun vaders vaker werkloos, ze groeien op in achtergestelde sociale milieus. Die situatie speelt een nefaste rol bij de onderwijskansen.
Maar de schoolachterstand van allochtonen is niet de enige verklaring voor hun langere werkloosheidsduur. Dat is alvast de bevinding van de onderzoekers van de VUB. Zelfs als Turkse en Marokkaanse allochtonen sociaal op gelijke voet zouden staan met de autochtonen en ook als hun onderwijsniveau identiek zou zijn, zouden hun kansen op het vinden van werk nog altijd twee keer lager liggen. De verschillen zijn dus ook deels te wijten aan discriminatie op de arbeidsmarkt. En discriminatie kan op zijn beurt een demotiverende factor zijn voor de arbeidsmarktpositie van jongeren. Uitsluiting leidt tot zelfuitsluiting, waardoor de allochtonen in een vicieuze cirkel terecht komen. Maar, benadrukken de auteurs: hoewel discriminatie via wetenschappelijk onderzoek al voldoende is aangetoond, mag het geen alibi zijn om andere facto- ren te negeren.
Ook de culturele achtergrond wordt beschouwd als een bepalende factor voor de arbeidsmarktpositie. Verschillen in culturele achtergrond gaan immers gepaard met verschillen in houding tegenover het onderwijs, het gezin en betaald werk, wat de keuzes inzake school- en arbeidsloopbanen beïnvloedt. De traditionele rolpatronen spelen op het vlak van arbeidsparticipatie bij Turkse en Marokkaanse personen zeker een grotere rol dan bij de autochtonen. De vrouwen van die bevolkingsgroepen huwen en worden moeder op jongere leeftijd en trekken zich daardoor vaak terug uit het arbeidscircuit. (Financiële) afhankelijkheid van de echtgenoot wordt er vaak nog als een normale zaak beschouwd. Bovendien doorkruist het huwen op jonge leeftijd dikwijls de schoolloopbaan, zowel voor mannen als vrouwen. Dat vormt dan meteen een bijkomend element dat de kansen op de arbeidsmarkt vermindert.
Voor de auteurs is het duidelijk: het opleidingsniveau is de belangrijkste voorspeller voor de arbeidsomstandigheden bij de intrede op de arbeidsmarkt. Zowel de kansen op het snel vinden van werk als op het vinden van een uitdagende job met een hoger beroepsprestige en goede arbeidsomstandigheden, worden rechtstreeks bepaald door de onderwijskwalificaties. Dat is op zich goed nieuws, vinden de VUB-onderzoekers. Het betekent immers dat de arbeidsmarkt vrij meritocratisch werkt (wat betekent dat betere prestaties en capaciteiten in grote mate tot een betere sociale status leiden). Of anders gezegd: de achterstelling van de allochtonen heeft slechts in beperkte mate te maken met het gebrekkig functioneren van de arbeidsmarkt. De belangrijkste deficiënties situeren zich wel degelijk in het onderwijssysteem. Daar is dus werk aan de winkel.
De auteurs van “Zwart op wit” geven hoe dan ook een zeer goed beeld van de complexe problematiek, en elke HR-verantwoordelijke doet er goed aan om inzicht in te verwerven, want vroeg of laat krijgt hij daarmee te maken.
|
 |
 |
|
|

 |
| Sociale media voor HR-professionals |
|
|
|
  |
| |
 |
|
Auteur: An De Jonghe |
| |
Uitgeverij: TrendQ, 2009 |
| |
ISBN: 978 908111130 0 |
| |
Prijs: 40 euro |
| |
 |
In “Sociale media voor HR-professionals” probeert An De Jonghe, medeoprichtster van Ulysses Consulting en sinds vorig jaar met TrendQ actief op de markt van social media consultancy, een antwoord te geven op de vraag welke meerwaarde sociale netwerken kunnen hebben voor het HR-beleid. En ze slaagt daar meer dan behoorlijk in.
Het boek maakt eerst en vooral een soort inventaris van wat sociale netwerken - LinkedIn, Netlog, Facebook e.d. - zijn, welke de belangrijkste zijn, welke verschillende vormen er gehanteerd worden en wat daar de kenmerken van zijn: blogs, podcasts, bookmarking, wikis, en sociale netwerken gericht naar business, vrienden, dating, gaming, enz. passeren de revue. In die zin is het boek een zeer handige basis voor wie een complete leek is op het vlak van online netwerken. Maar dat doet niets af aan de waarde van het werk voor personen en bedrijven die de sociale netwerken al voor professionele doeleinden gebruiken, maar niet goed weten hoe ze dat efficiënter en doelgerichter kunnen doen.
Een degelijk online netwerk bouw je immers, net als een “klassiek” sociaal netwerk, niet op een dag op. Het vergt een investering, bijvoorbeeld in het helpen van mensen, zonder daar meteen iets voor terug te verwachten. Het vergt ook onderhoud van de contacten. Een virtueel sociaal netwerk is maar zo sterk als de frequentie van je communicatie, benadrukt An De Jonghe.
Maar eerst en vooral is een duidelijke aflijning van doelstellingen, en een goed voorbereid beleid noodzakelijk. De auteur ontvouwt in het boek een stappenplan en staat stil bij diverse aandachtspunten.
Binnen het HR-veld heeft Web 2.0 al op verschillende vlakken zijn nut bewezen, vindt de auteur, die in het boek verschillende disciplines overloopt waar sociale netwerken een rol (zouden kunnen) spelen: benchmarking inzake rekruteringsmarkt, screening, rekrutering, retentie, training en ontwikkeling, outplacement, personeelsfeesten en jobevents. Bij al deze aspecten wordt het wat en het hoe uitgelegd.
In de context van sociale netwerken wordt het meest verwezen naar rekrutering. Een mogelijkheid om via het web meer en betere kandidaten aan te trekken is het creëren van een eigen community, een eigen nichenetwerk. Zoiets vraagt tijd, geld en energie. Bovendien is een eigen community uitbouwen één ding, en die boeiend houden een ander. Als men daar niet in slaagt, haken de bezoekers en leden af. De auteur geeft zeer concrete tips ter zake. Elders in het boek wordt de geslaagde praktijk die Deloitte ontwikkelde, uit de doeken gedaan. Deloitte gebruikte met succes Facebook om binnen haar rekruteringsdoelgroepen communities op te bouwen.
Sociale netwerksites hebben hoe dan ook een onmiskenbare invloed op de manier van rekruteren en dus op het HR-beleid. Nogal wat bedrijven gaan ervan uit dat ze geen externe selectiebureaus meer moeten inschakelen, nu ze via die sociale netwerken zelf over een zeer uitgebreide en vlot hanteerbare gegevensbank beschikken. Maar dat argument snijdt geen hout, vindt An De Jonghe. Al voegt ze eraan toe dat de HR-consultants zelf de hand hebben in een dergelijke houding: “HR-consultants moeten bereid zijn om een deel van hun tijd en energie te stoppen in het preventief onderzoeken van de markt, teneinde nieuwe tendensen en middelen te ontdekken voor hun klanten. Ze moeten experimenteren en op die manier best practices ontwikkelen die ze vervolgens kunnen aanbieden aan hun klanten. Enkel op die manier kunnen ze een duurzame business uitbouwen die niet onder vuur ligt bij elke nieuwe tool die op de markt komt. Sociale netwerken zijn dan ook niet de zoveelste aangekondigde dood van de recruiter, maar enkel de dood van de domme recruiter.”
Vadim Deylgat, selectieverantwoordelijke bij Colruyt, formuleert het zo: “Het is niet omdat de bronnen van headhunters nu ook voor de HR- en selectiedienst beschikbaar zijn, dat u hen moet vragen de rol van die headhunters over te nemen.” Een doordachte en bewuste manier van omgaan met sociale netwerken, is absoluut noodzakelijk - en dat lijkt evidenter dan het in de praktijk is.
An De Jonghe is ervan overtuigd dat sociale netwerken niet van voorbijgaande aard zijn, hoewel er op dit ogenblik een overaanbod is, waardoor de toegevoegde waarde voor de gebruiker niet altijd meer duidelijk is. Het kaf zal zich dus nog van het koren moeten scheiden, maar aangezien de netwerken intussen gepenetreerd zijn in alle leeftijdscategorieën en dat voor een zeer brede waaier aan toepassingen - de eerste sociale netwerken waren bij hun ontstaan vooral op ontspanning gericht - mag worden verwacht dat ze een vertrouwd gegeven in ons dagelijkse (beroeps)leven zullen blijven. Het boek “Sociale media voor HR-professionals” is alvast een handig hulpmiddel om niet verstrikt te geraken in het kluwen dat Web 2.0 is, maar er juist voordeel uit te halen voor de HR-praktijk.
|
 |
 |
|
|

 |
| Werk maken van een creatieve economie - beleidsboek |
|
|
|
  |
| |
 |
|
Auteur: Isabelle De Voldere en Leo Sleuwaegen |
| |
Uitgeverij: Lannoo Campus, 2009 |
| |
ISBN: 978 90 209 8335 7 |
| |
Prijs: 21,74 euro |
| |
 |
Aan de slag met creativiteit
In samenwerking met Flanders District of Creativity en de Vlerick Leuven Gent managementschool gaf Lannoo onlangs vier boeken over creativiteit uit. De boeken zijn apart verkrijgbaar maar vormen uiteraard een geheel. De werken belichten creativiteit in de context van diverse aspecten van het hedendaags bedrijfsleven: innovatie, ondernemen en leidinggeven.
Het eerste boek, “Werk maken van een creatieve economie”, concentreert zich op beleidsmatige aspecten van een creatieve economie. De auteurs geven aan dat Vlaanderen behoorlijk wat kansen heeft om zich economisch te handhaven en zelfs te versterken. Maar daarvoor moeten beleidsmakers, ondernemers en iedereen die mee het gezicht van de Vlaamse economie bepaalt, vandaag de handen in elkaar slaan. Want er is volgens de auteurs nogal wat werk aan de winkel. Ze baseren zich op studies die in de periode 2005-2008 door het Flanders District of Creativity Kenniscentrum uitgevoerd werden en waarin de bijzondere rol van de economische creativiteit in dit veranderingsproces worden benadrukt.
Het boek geeft eerst een analyse van de veranderende wereldeconomie en de effecten daarvan, die voor Vlaanderen in eerste instantie minder gunstig lijken. Als de regio erin slaagt om een “creatieve economie” uit te bouwen, kan die echter blijven meedraaien aan de top.
China, India en andere nieuwe economieën veroorzaken een intense concurrentie. Men kan er immers niet omheen dat deze nieuwe spelers van een factorgedreven economie (grote productie voor lage kosten) evolueren naar efficiëntiegedreven economie (minder goedkope arbeid, maar efficiëntere, snellere en betere productie). Europa kan daar met zijn veel hogere arbeidskosten niet tegenop. Bovendien heeft ook efficiëntieverhoging zijn limieten, en die zijn in Europa en Vlaanderen bereikt. Bijgevolg is men in Europa gedwongen om de nadruk te leggen op kwaliteit en innovatie.
Vlaanderen is daar echter niet helemaal klaar voor. De auteurs sommen enkele recente studies op waaruit dat blijkt. Zo scoort Vlaanderen op het vlak van ondernemerschap al jaren slecht. Daarnaast blijkt uit een SERV-rapport dat de regio ook minder aanwezig is in de hoogtechnologische en kennisintensieve sectoren - en uitgerekend die sectoren kennen op wereldvlak de sterkste groei. Dus die trein mag Vlaanderen niet missen. Bovendien blijkt Vlaanderen nog te sterk gericht op prijsconcurrentie en te weinig op kwaliteitsconcurrentie.
In het boek wordt Vlaanderen uitvoerig doorgelicht en vergeleken met andere Europese regio’s. Daaruit bleef onder meer dat de werkgelegenheidsgroei in de nijverheid en diensten onder het gemiddelde. De werkgelegenheid in kennisintensieve diensten steeg minder dan gemiddeld en nam in de hoogtechnologische sectoren zelfs af.
Vlaanderen zal dus dringend een eigen strategie moeten uitbouwen om zijn ontwikkeling als creatieve regio te bevorderen. Het valt te verwachten dat beleidsdomeinen als wetenschap en technologie, onderwijs en economie daar een centrale positie in innemen. De Oeso onderscheidt in dat verband drie beleidsprioriteiten om de opstap naar een creatieve economie mogelijk te maken: eerst en vooral is er een volwaardige ondersteuning nodig van kennisdiffusie. De relatie tussen onderzoeksinstellingen en bedrijven moet bevorderd worden. Daarnaast moet het onderwijssysteem gericht zijn op het permanent opwaarderen van het menselijk kapitaal, zodat het ook toeneemt in volume. Ten slotte zijn er volgens Oeso flexibiliteit en organisatorische veranderingen nodig om technologische veranderingen te vertalen naar een verhoogde productiviteit. De overheid moet hierin de juiste voorwaarden scheppen zodat kenniscreatie en -deling optimaal kan plaatsvonden.
In het boek komen ook de meningen aan bod van Karel Van Eetvelt (Unizo), Philippe Muyters (Voka), Patricia Ceyssens (uittredend Vlaams minister van economie) en Patrick Janssens (burgemeester van Antwerpen). Die laatste is zeker niet toevallig gekozen, aangezien een deel van het boek volledig gewijd is aan steden als motor van creatieve groei. Steden nemen historisch altijd een unieke plaats in in het economische en maatschappelijke weefsel. Ook in de creatieve economie kunnen ze een belangrijke rol spelen. De auteurs doen uit de doeken hoe dat kan.
“Werk maken van een creatieve economie” is een interessant boek waar iedereen die wil bijdragen tot een creatief en innovatief Vlaanderen, iets kan van opsteken.
Innovatie
Het boek “Innoveren met creativiteit” zoomt in op hoe organisaties samen met anderen kunnen organiseren, hoe ze het innovatieproces kunnen uittekenen en hoe men innovaties op de markt brengt.
Het kijkt tevens over het muurtje: hoe gaat men om met creativiteit in de sectoren die er het sterkst afhankelijk van zijn: muziek, beeldende kunst, theater, film, architectuur, e.d.
Vaak denkt men nog dat innoveren hetzelfde is als uitvinden én dat alle innovatie van de R&D-afdeling uitgaat. Met een dergelijk uitgangspunt gaat er echter heel veel kennis en expertise aan het bedrijf voorbij: in de buitenwereld (universiteiten, andere organisaties, kenniscentra,...) beschikt men vaak over waardevolle expertise die soms nauw aanleunt bij het actieterrein van de onderneming. Volgens auteur Marion Debruyne is de eerste regel van moderne innovatie dan ook leren samenwerken met externe partners.
Innovaties leiden ook pas tot economische doorbraken als ze het verschil maken. De auteur noemt dat doorbraakinnovaties. Die komen vaak voort uit een moeilijk te definiëren combinatie van bestaande ideeën en technologieën en nieuwe concepten. Innovatie is met andere woorden veel meer dan een geniale inval, hoewel creativiteit niet rechtlijnig verloopt en soms onverwachte dingen oplevert (of verwachte dingen niet oplevert). Dat betekent echter geenszins dat innovatie niet te sturen is. Innovatie mikt immers niet op uitvindingen, maar op verandering. Het gaat erom dat men met systematiek en structuur het toeval een handje kan helpen.
Innovatie is de ontwikkeling van ideeën die kunnen leiden tot de verbetering van de efficiëntie van een organisatie. Het draait in essentie om de evaluatie en toepassing van nieuwe ideeën, met verandering tot gevolg. Innovatie is dus veel meer dan productinnovatie.
Het boek is doorspekt met praktijkvoorbeelden, adviezen en checklists en biedt op die manier een zeer concreet beeld naast en over de theoretische inzichten.
De auteur gaat tevens dieper in op businessmodelinnovatie, waar ze onder meer de nadruk legt op het belang van “eigenzinnig leiderschap”, leiders die een zeer duidelijke visie hadden op waar ze naartoe wilden en zich daarbij weinig bekommerden om de conventies van de industrie die ze uitkozen.
Leiderschap
Dat leiderschap wordt uitgediept in “Leidinggeven met creativiteit”. Auteurs Herman Van den Broeck en Veronique Warmoes schetsen daarin een beeld van hoe leiderschap werkt. Ze gebruiken daarvoor tal van testjes, getuigenissen en cases en maken de noemer van “praktijkboek” daarmee moeiteloos waar. Ze onderscheiden vier cognitieve stijlen. Combinaties van twee van deze stijlen levert bepaalde types op: de expert, de uitvinder, de raadgever, de doordrijver, de realisator, de gangmaker. De stijl beïnvloedt de manier waarop men beslissingen neemt, de mate waarop men open staat voor veranderingen, en leert bij welke opdrachten men het best scoort en in welke omgevingen men het liefst werkt.
Een vergelijkbare systematiek hanteren de auteurs om na te gaan in welke mate iemand creatief is. Want om tot creatief leiderschap te komen, zijn beide elementen uiteraard van even groot belang. Nochtans hoeft een creatief leider niet per se zelf creatief te zijn. Een minder creatieve leider is geen probleem, op voorwaarde dat hij kan omgaan met de creativiteit van zijn medewerkers. Wie geen bedenker is van nieuwe ideeën, moet zich laten bijstaan door creatieve geesten.
Leiderschap impliceert dat men over een team beschikt. Hoe dat team leiding moet krijgen en samengesteld moet worden om creatief te zijn, krijgt in het tweede deel van het boek alle aandacht. Of creativiteit en innovatie in dat team floreren, heeft niet alleen met de teamleden zelf te maken, maar evenzeer met de al dan niet stimulerende werkomgeving en dat heeft op zijn beurt dan weer niet alleen te maken met een joviale sfeer, maar ook met het beloningssysteem, de organisatiestructuur, de beschikbare middelen en de organisatiecultuur. Daarnaast kunnen ook HR-praktijken als werving en selectie, training en ontwikkeling, prestatiemanagement, beloning en loopbaanmanagement zodanig georganiseerd worden dat ze de creativiteit in een organisatie stimuleren. Ook dat wordt in het boek kernachtig belicht.
Ondernemen
Het vierde boek “Ondernemen met creativiteit” schetst de kenmerken van een ondernemer en ondernemend gedrag. De auteur gaat ook na of er een positief verband bestaat tussen dat innoverende gedrag en de performantie van de organisatie. En wat zijn ondernemende processen? Al deze aspecten (en andere) zijn onderzocht door Flanders DC. Auteur Hans Crijns baseert zich dan ook in hoofdzaak op de resultaten daarvan. Hij slaagt erin een helder en grondig beeld te geven van ondernemerschap. Dat is nog niet hetzelfde als creatief ondernemerschap, hoewel dat op zich altijd een stuk creativiteit in zich draagt. Maar om van echt creatief ondernemerschap te spreken, is het noodzakelijk dat creatieve ideeën worden gemanaged om te kunnen uitgroeien tot innovaties.
Rode draad door de vier werken heen, is dat creativiteit niet zomaar een toevalstreffer is, maar ook veel systematiek vergt om die al dan niet toevallige creatieve ingevingen in goede banen te leiden en nuttig toe te passen in de organisatie.
|
 |
 |
|
|

 |
| Het mondiale uitzendkantoor |
|
|
|
  |
| |
 |
|
Auteur: Dirk Barrez & John Vandaele |
| |
Uitgeverij: Epo |
| |
ISBN: 978 90 6445 000 6 |
| |
Prijs: 17 euro |
| |
 |
“Het mondiale uitzendkantoor” is een kritisch maar genuanceerd en bijzonder goed gestoffeerd boek over de gevolgen van de globalisering voor de samenleving en de arbeidsomstandigheden in het bijzonder. Met een opmerkelijke kennis van zaken schetsen de journalisten Dirk Barrez en John Vandaele het fenomeen globalisering, geven historische achtergronden mee en belichten uitvoerig verschillende nieuwe economieën (waaronder China, India, Brazilië) en de evolutie van de arbeidsmarkt die daarmee gepaard gaat.
De auteurs onderscheiden twee eerdere mondialiseringsgolven: de eerste kwam op gang vanaf het midden van de negentiende eeuw en zakte in elkaar tijdens de crisis van de jaren dertig. De maatschappelijke reacties op de eerste mondialisering waren uiteenlopend en soms drastisch: fascisme, communisme, sociale democratie.
De crisis in de jaren dertig, waarvan de beurscrash van 1929 als het ware het startsein was, is zeer vergelijkbaar met de huidige recessie. Maar de manier waarop ermee wordt omgegaan verschilt drastisch. In de beurscrash van 1929 kwam er nauwelijks reactie vanuit politieke hoek, vanuit een geloof dat de markt het zelf wel zou oplossen. Bij de financiële crisis van 2008 werd wel drastisch ingegrepen, onder meer via tijdelijke nationaliseringen van financiële instellingen. De tweede mondialisering kwam op gang vanaf de jaren zeventig van vorige eeuw. Ook daarvan schetsen de auteurs scherp de context en achtergronden.
Op een paar honderd jaar tijd hebben industrialisering en digitalisering extreme mogelijkheden gecreëerd om economische macht te concentreren. Tegelijkertijd hebben miljoenen werk- nemers wereldwijd de omgekeerde beweging gemaakt in de richting van grotere fragmentatie van de arbeid.
In de economie van vandaag is de keten van toeleveranciers verbrokkeld tot een netwerk van onderaannemers en dezelfde evolutie deed zich voor met het werk: door een sterke fragmentarisering wordt de kern van een bedrijf alsmaar kleiner. Er werd afgestapt van de “volledige arbeid”, waarbij werknemers verantwoordelijk waren voor het eindproduct. Arbeid werd een middel, een “resource”, werknemers werden “human resources”. De auteurs citeren in dat verband een treffende uitspraak van een ex-werknemer van Philips Hasselt: “Weet je wanneer de tijden zijn veranderd? Toen men niet meer sprak van de personeelsdirecteur, maar van de humanresourcesmanager.”
De statuten van de werknemers volgen dezelfde differentiatie: de vaste kern wordt aangevuld met tijdelijken, uitzendwerkers en zelfstandigen. De arbeidswereld wordt een “mondiaal uitzendkantoor”. Arbeid wordt volop als koopwaar gezien: als de arbeid van een werkende mens bruikbaar is, wordt hij tijdelijk ingeschakeld. Is dat niet langer het geval, dan wordt hij aan de kant geschoven.
De evolutie van fragmentering in arbeid heeft ook individualisering tot gevolg. Sociaal overleg wordt daardoor steeds vaker vervangen door een individuele onderhandelingen tussen werkgever en werknemer, wat de werknemers vaak niet goed uitkomt - hoewel ze dat zelf niet altijd doorhebben.
De auteurs tonen in hun boek aan dat globalisering een complex en meerduidig verhaal is: vele landen, vooral Aziatische, zijn er rijker van geworden, ook de positie van vele werknemers is onder invloed van de mondialisering van de economie onmiskenbaar verbeterd. Maar tegelijkertijd is in vele landen ook de inkomensongelijkheid gegroeid. Het beeld van de mondialisering is dan ook genuanceerd: kansen voor ontwikkelingslanden, bedreigingen voor de arbeiderspopulatie in de rijke landen, keiharde competitie en groeiende maar ongelijk verdeelde welvaart.
De economische groei die gepaard ging met de mondialisering bracht bovendien een nieuw prangend probleem op de voorgrond: de ecologische crisis.
De auteurs schuiven verder in het boek dan ook een “groen sociaal pact” naar voren, een “groene New Deal” die massieve investeringen inhoudt in de ombouw van de wereldeconomie naar meer duurzaamheid: uitbouw van hernieuwbare energieproductie, milieuvriendelijke auto’s, meer en beter openbaar vervoer, en dergelijke. Volgens de auteurs biedt dat een sterk antwoord op de milieu-uitdagingen en op de sociale en economische crisis. Er zijn volgens hen overigens al behoorlijk wat tekenen dat zowel vakbonden als werkgevers dat ook beseffen. Positief in dat verband is dat de VS, nooit een goede leerling geweest op milieugebied, nu onder impuls van de nieuwe president een koerswijziging heeft ingezet. De ecologische thematiek wordt er niet langer als een economische bedreiging maar als een opportuniteit beschouwd.
De sociale invalshoek van “Het mondiale uitzendkantoor” betekent allerminst dat het boek kan herleid worden tot een pamflet van naïeve wereldverbeteraars met geitenwollen sokken. Integendeel: Dirk Barrez en John Vandaele etaleren een combinatie van ronduit verbluffende dossierkennis, realiteitszin en een grondig onderbouwde, sociale visie op de mondiale economie en arbeidsmarkt. Een ijzersterk boek.
|
 |
 |
|
|

 |
| Sun Tzu voor managers - de 13 wetten van strategie |
|
|
|
  |
| |
 |
|
Auteur: Werner Schwanfelder |
| |
Uitgeverij: Business Bibliotheek, 2009 |
| |
ISBN: 978 90 4700203 1 |
| |
Prijs: 24,99 euro |
| |
 |
Sun Tzu was een Chinese veldheer die zo’n 2500 jaar geleden zijn inzichten in krijgskunde vastlegde in soms cryptische teksten. Die vormen een inspiratiebron voor leiderschap en kunnen vertaald worden naar herkenbare en hedendaagse concepten voor het bedrijfsleven.
Dat is alvast de interpretatie van Werner Schwanfelder. De principes van Sun Tzu bieden de auteur een handige leidraad en een sterke houvast om zijn visie op strategie te ordenen en helder weer te geven. Daarvoor baseert hij zich op de “dertien wetten van Sun Tzu” die hij projecteert op strategisch management. En het moet gezegd: wat de auteur daarover uit de doeken doet, is de moeite waard.
Wie krijgskunde zegt, denkt aan ijzeren discipline en strakke regels, maar dat hoeft niet zo te zijn, vindt de auteur: regels hebben enkel zin als mensen ermee kunnen werken. Daarom moet een regel ook ruimte voor ontplooiing geven. Dat biedt extra motivatie. Een ander motiverend element is het morele gezag van de leidinggevende: het is vaak de persoonlijkheid van de manager die medewerkers motiveert en beter doet presteren dan succes op korte termijn - bijv. het verhogen van de beurswaarde.
De auteur wijst er ook op dat er in vele gevallen wordt uitgegaan van het doel. Er worden strategieën, mijlpalen en maatregelen geformuleerd, zonder dat men zich afvraagt of men over de (human) resources beschikt om die doelen te bereiken. Doelen moeten met andere woorden worden afgeleid van de beschikbare en toekomstige resources.
Met die hulpmiddelen (ook de menselijke) moet dan een organisatie worden opgebouwd. Sun Tzu vertrekt daarvoor van processen: de opstelling van de troepen, het samenwerken en het functioneren van de ravitaillering. Zo moet ook de manager het doen, vindt de auteur: zich bezig houden met de processen. Soms vraagt dat een nieuwe organisatie. Maar in de praktijk vertrekt men niet altijd vanuit de processen, maar men trekt een nieuwe manager aan zonder zich eerst af te vragen waar het fout zit. En dan loopt het pas echt fout.
Managers moeten weliswaar beslissingen nemen, maar moeten de medewerkers stimuleren met verantwoordelijke taken. Dan komen er altijd nieuwe krachten aan het licht. Sun Tzu zegt daarover: er zijn vele manieren om medewerkers de opdracht te geven om de strijd aan te gaan. Maar er is maar een manier om hen te sterken: ze moeten het absolute vertrouwen van de leidinggevende hebben als ze op het slagveld staan.
Sun Tzu zal wellicht nooit vermoed hebben dat zijn visie op oorlog voeren 2500 jaar later de rode draad zouden vormen in een boek over managementstrategie. De projecties op hedendaags management zijn dikwijls wat geforceerd, maar leveren niettemin een vrij interessant werk op.
|
 |
 |
|
|

 |
|
  |
| |
 |
|
Auteur: Marcel Van der Avert |
| |
Uitgeverij: Lannoo/Scriptum, 2008 |
| |
ISBN: 978 90 7743227 3 |
| |
Prijs: 19,99 euro |
| |
 |
“Resultaten!” van Marcel Van der Avert is een “managementroman”, een boek waarin aan de hand van een verhaallijn, een methodiek en oplossingen worden aangereikt voor problematieken die wellicht herkenbaar zijn voor managers en leidinggevenden. Het tweede deel van de publicatie is een werkboek, waar de werkwijze die in het romangedeelte wordt uitgetekend in zeer concrete hulpmiddelen en methodieken wordt toegepast. Het boek verscheen in een eerste versie in 2004, maar die werd recent herwerkt en opnieuw uitgegeven.
De idee om een veranderingstraject methodisch uit te leggen en toe te lichten aan de hand van een eenvoudig fictief scenario, maakt dat het boek zeer licht verteerbaar is, terwijl er heel wat niet echt vernieuwende, maar toch interessante visies worden meegegeven.
Het scenario gaat als volgt: Paul, een general manager van het bedrijf Essential staat onder druk van het Amerikaanse hoofdkwartier om de tegenvallende resultaten in positieve zin om te buigen. Om dat probleem aan te pakken, doet hij een beroep op Dirk, gewezen topman binnen het bedrijf en sinds enkele jaren zelfstandig consultant. Al gauw komen de gesprekken tussen beide ex-collega’s in het vaarwater van human resources terecht: resultaten moet je met mensen behalen, dus komt het erop aan om die mensen in de juiste richting aan te sturen en te motiveren. Aan de hand van zes thema’s organiseert Dirk gesprekssessies met de general manager en de leden van zijn team. De thema’s zijn: sturen, effectief communiceren, resultaatgericht managen, strategisch handelen, gemeenschapscultuur ontwikkelen en inspireren. Rond elk onderwerp ontstaan dialogen die de auteur in het verhaal gebruikt om inzichten door te geven aan de lezer. Omdat hij dat op een heldere manier wil doen, gebeurt dat soms wat gekunsteld en geforceerd. Aan de andere kant bieden de verhaalvorm en de geschetste situatie daarin een enorme toegankelijkheid en herkenbaarheid. De functie van de consultant wordt in het verhaal handig gebruikt om de besproken thema’s, problemen en inzichten te kanaliseren en samen te vatten: hij komt af en toe naar voren als een soort moderator die de sleutelbegrippen en ideeën op een gestructureerde manier meegeeft zonder dat de verhaallijn daardoor wordt verstoord.
Het verhaal eindigt met een happy end: enkele maanden later stelt de general manager het hele project en de gunstige resultaten ervan voor aan het internationale topmanagement van Essential. Een net iets te gesimplificeerd scenario om realiteit te zijn, maar wellicht vond de auteur die bedenking ondergeschikt aan de boodschap die hij wou meegeven: om duurzame resultaten te behalen, is het belangrijk om niet louter te focussen op financiële aspecten maar om te werken aan een verandering van de organisatiecultuur, waarbij betrokkenheid, motivatie, creativiteit en productiviteit van medewerkers centraal staan.
|
 |
 |
|
|

 |
| Van strategie naar uitvoering |
|
|
|
  |
| |
 |
|
Auteur: Robert S. Kaplan en David P. Norton |
| |
Uitgeverij: Business Bibliotheek, 2008 |
| |
ISBN: 978 90 4700124 9 |
| |
Prijs: 39,99 euro |
| |
 |
Management van een strategie is iets totaal anders dan management van een bedrijfsvoering, maar beide zijn essentieel en moeten met elkaar worden geïntegreerd. Bedrijven slagen er vaak niet in een strategie toe te passen of een bedrijfsvoering te beheren, omdat ze geen overkoepelend managementsysteem hebben om deze twee essentiële processen op elkaar af te stemmen. Dat vinden althans Robert Kaplan en David Norton, auteurs van “Van strategie naar uitvoering” en geestelijke vaders van de Balanced Scorecard. Men kan tegenwoordig uit een groot aantal systemen voor strategie en bedrijfsvoering kiezen, maar het ontbreekt vaak aan een theorie of structuur om die systemen te integreren. Het belangrijkste mechanisme voor coördinatie, prognoses en evaluatie van de prestaties is meestal het budget, argumenteren de auteurs.
Er is dan ook nood aan een managementsysteem voor de integratie van planning en uitvoering van de strategie. En dat systeem, dat ze het Office of Strategy Management (OSM) noemen, doen ze in hun boek uit de doeken. Het systeem voorziet in een soort dirigent die over functies en afdelingen heen de dagelijkse bedrijfsvoering coördineert in functie van de strategie en alles op het juiste moment laat samenvallen. Het systeem bestaat uit zes fasen en elk van die fasen wordt uitgebreid toegelicht.
In de eerste fase ontwikkelen de managers de strategie. Eerste vereiste daarvoor is dat men duidelijk definieert wat het doel is van de organisatie. Dat fungeert als het interne kompas dat richting geeft aan de daden van het bedrijf en de ambities voor de toekomst. Daarna evalueert de directie de situatie inzake concurrentiepositie en zakelijke omgeving, vanuit drie bronnen: interne omgeving (essentiële processen, menselijk kapitaal, innovatie,...), externe omgeving (onder meer politieke, sociale, economische, technologische factoren) en de voortgang van de bestaande strategie. De evaluatie van de bedrijfsomgeving wordt samengevat in een swotanalyse. Die moet leiden tot de analyse van de strategie (welke niches, welke verkoopsargumenten, welke processen zijn nodig, welke vaardigheden en kennis, welke technologie,...)
Op basis daarvan begint men aan de tweede fase: de planning van de strategie. De strategische thema’s worden in kaart gebracht, maatstaven en streefwaarden worden geselecteerd, actieprogramma’s worden geïnitieerd, het budget wordt vastgelegd en er wordt een “aansprakelijkheidsstructuur” vastgelegd, met themaverantwoordelijken en themateams.
Als men wil dat een strategie succesvol is, moeten alle werknemers erbij betrokken worden en gemotiveerd zijn om de strategie te doen slagen. Dat betekent onder meer een doorgedreven en consequente communicatie, en het vereist tevens dat alle bedrijfseenheden en ondersteunende eenheden op elkaar zijn afgestemd.
In de vierde fase, de planning van de bedrijfsvoering, worden langetermijnstrategie en dagelijkse bedrijfsvoering aan elkaar gekoppeld. Dit is een essentieel en onderscheiden kenmerk van het managementsysteem dat de auteurs voorstellen. Het houdt onder meer in dat men de bedrijfsprocessen die het belangrijkst zijn in functie van de strategie kan definiëren en verbeteren.
De vijfde fase is de controle- en leerfase, waarin de processen worden opgevolgd en problemen besproken worden, via regelmatige evaluatievergaderingen. Een van de elementen die daarbij geregeld in vraag moeten worden gesteld, is of de strategie nog werkt en op de basisprincipes ervan nog gelden. Dat kan leiden tot een aanpassing van de strategie (fase 6).
Deze zes managementprocessen vormen een geïntegreerde en volledige cyclus waarin de strategische planning aan de operationele planning, uitvoering en aan feedback en leren wordt gekoppeld. Het systeem heeft veel flexibele onderdelen en onderlinge relaties en vereist gelijktijdige coördinatie russen alle lijn- en personeelseenheden.
Het boek biedt een theoretisch en zeer gedetailleerd kader - zo wordt bijvoorbeeld beschreven hoe vergaderingen moeten verlopen, e.d. - om aan strategisch management te doen, weliswaar doorspekt met praktijkverhalen van onder meer Ricoh en Sears. Een theoretisch model heeft zijn waarde als men het in de juiste context plaatst, met andere woorden, als men beseft dat het slechts een hulpmiddel is om dingen op te lossen maar op zich geen oplossingen biedt. In die zin kunnen vooral grote bedrijven zeker gebaat zijn bij OSM en de uitgebreide uiteenzetting ervan in “Van strategie naar uitvoering”.
|
 |
 |
|
|

 |
| De hofnar en de kanarie onderweg |
|
|
|
  |
| |
 |
|
Auteur: Gunter Bombaerts en Hilda Martens |
| |
Uitgeverij: Kluwer, 2009 |
| |
ISBN: 978 90 4651998 1 |
| |
Prijs: 68,90 euro |
| |
 |
“De uitdaging voor de arbeidsmarkt is niet de vergrijzing, maar de ontgrijzing”, stellen Gunter Bombaerts en Hilda Martens in “De hofnar en de kanarie onderweg”. De boodschap van de auteurs is dat de vijftigplusser en de HR-verantwoordelijke samen een positieve richting moeten uitgaan en niet mogen vervallen in een beleid dat de ouderen van allerlei ontziemaatregelen voorziet die hen buiten de actie plaatsen, maar integendeel zoeken naar manieren om hun capaciteiten zoveel mogelijk te laten renderen.
Uiteraard veronderstelt dat op de eerste plaats een goede basisfilosofie in de organisatie. Of anders gezegd: een degelijk leeftijdsbewust personeelsbeleid maakt geen kans als het niet gestoeld is op een degelijk personeelsbeleid tout court. Daarnaast is er natuurlijk een breed draagvlak nodig. Bovendien omvat een leeftijdsbewust personeelsbeleid heel wat. Het komt er dus op aan om een goede analyse van de belangrijkste uitdagingen te maken. De auteurs lichten grondig toe hoe zo’n degelijke basisfilosofie tot stand kan komen en gaan tevens in op enkele andere kritische succesfactoren voor een succesvol leeftijdsbewust personeelsbeleid.
In het vervolg van het boek benaderen de auteurs leeftijdsbewust personeelsbeleid vanuit instroom, doorstroom en uitstroom. Dat is op zich een opmerkelijke invalshoek, aangezien het beleid rond vijftigplussers doorgaans in zeer grote mate wordt bekeken vanuit een retentiestandpunt. Nochtans kunnen kleine veranderingen aan het werving- en selectiebeleid een wereld van verschil maken voor werkzoekende vijftigplussers en voor de organisatie, geloven de auteurs. Ze leggen in het boek uit hoe een HR-beleid kan bijdragen tot het opheffen van de ondervertegenwoordiging van vijftigplussers in aanwervingen. Naast instroom, is het ook het doorstroombeleid een cruciale component in leeftijdsbewust personeelsbeleid. Doorstroom wordt al eens beschouwd als problematisch als het 55-plussers betreft: zij behoren nog tot een generatie die vaak heel lang bij een zelfde werkgever aan de slag blijft en worden daardoor al eens als minder flexibel en minder mobiel beschouwd. Aan de andere kant zijn jongeren dikwijls geneigd te snel van job te veranderen. De loopbaanuitdagingen waar beide groepen mee geconfronteerd worden, kunnen benaderd worden met het concept “bewegingskapitaal”. Dat houdt onder meer de competentie in dingen te doen die relevant zijn voor de positie waarnaar je wil evolueren. Het bevat ook loopbaanverwachtingen en -motieven. En op dat vlak kampen oudere werknemers die al jaren in dezelfde functie actief zijn, met een probleem. Zij zijn niet gewoon om te denken en bijgevolg ook niet om te handelen in functie van bewuste loopbaanontwikkeling. De (HR-) organisatie kan op dat vlak echter de voorwaarden scheppen die van deze manier van loopbaandenken een aspect van de bedrijfscultuur maken. Een doordacht loopbaanmanagement vindt een win-winsituatie tussen de organisatievraag en de loopbaanmogelijkheden en -verwachtingen van medewerkers. De auteurs definiëren op dat vlak een aantal uitdagingen in functie van leeftijdsbewust personeelsbeleid. Uiteraard spelen ook verloningsbeleid en arbeidsregeling hier een rol.
Andere aspecten die de auteurs onder de noemer doorstroom in het licht van leeftijdsbewust personeelsbeleid bespreken, zijn onder meer leerbeleid en gezondheids- en aanwezigheidsbeleid.
Leeftijdsbewust personeelsbeleid noodzaakt om hier en daar aan de organisatie te sleutelen. De auteurs zien op dat vlak een cruciale positie weggelegd voor de HR-manager, die zijn rol van hofnar moeten spelen door het hof een spiegel voor te houden en op die manier informeel het beleid kan sturen - vandaar de titel van het boek.
De kanarie uit de titel refereert aan het gebruik om kanaries mee te nemen in de mijn om aan te geven wanneer er gevaarlijke gassen ontsnappen. Het is geen goed idee om de kanarie te verwijderen en gewoon door te werken. Het gaslek moet gedicht. Zo is het evenmin een goed idee om de “vijftigplus-kanarie” te verwijderen. Zijn signaalfunctie moet integendeel gebruikt worden om de werkbaarheid voor hemzelf en voor alle werknemers te verhogen. Het komt erop aan de koning ervan te overtuigen dat die kanarie een zeer nuttige functie heeft en het verschil kan maken.
Het boek staat bol van verwijzingen naar wetenschappelijke literatuur en studies en biedt tegelijkertijd adviezen, analyses en praktijkvoorbeelden die de stellingen zeer concreet en tastbaar maken. Bovendien fixeren de auteurs zich niet op de verschillen tussen oudere werknemers en “de anderen”, maar ze pleiten er uitdrukkelijk voor om te vertrekken van de gelijkenissen tussen de verschillende leeftijdsgroepen. De situatie van een oudere werknemer mag dan al anders zijn dan die van zijn jonge collega, uiteindelijk zijn de noden en behoeften zeer gelijklopend.
Het boek is zonder twijfel één van de meest gefundeerde werken die in het Nederlandse taalgebied over de problematiek geschreven zijn.
|
 |
 |
|
|

 |
| 80 tips voor resultaatgericht coachen |
|
|
|
  |
| |
 |
|
Auteur: Willem Verhoeven |
| |
Uitgeverij: Die Keure - Business&Economics, 2008 |
| |
ISBN: 978 90 4860071 7 |
| |
Prijs: 20 euro |
| |
 |
Een boek dat niet veel meer is dan een verzameling vol tips, blijft meestal steken in oppervlakkige en veralgemenende adviezen die vooral open deuren intrappen. Het boek van Willem Verhoeven, “80 tips voor resultaatgericht coachen”, is de uitzondering die de regel bevestigt. Eigenlijk doet zo’n titel het boek oneer aan, want het werk is een behoorlijk diepgaande benadering van het fenomeen coaching en de praktische toepassingen ervan. De tips in het boek zijn behalve praktische adviezen ook en vooral inzichten in hoe coaching werkt. Coaching omschrijven als het “liefdevol begeleiden van medewerkers en aandacht hebben voor hun ontplooiing” is een veel te beperkend en onjuist uitgangspunt, vindt de auteur. Coachend leiderschap is niet synoniem met “voor iedereen aardig zijn”, want dat staat op gespannen voet met resultaatgericht leiderschap.
Ook bij coachend leiderschap komt het erop aan om eisen te stellen en doelstellingen te definiëren. Een goede coach durft streng te zijn. Coachen op gedrag uit zich in uitdagen, interesse tonen, stimuleren, afspraken maken, feedback geven, en dergelijke. Coachen is sturen op professioneel gedrag en helpen om dat gedrag te ontwikkelen.
Volgens de auteur is coaching een partnerschap om tot prestatieverbetering te komen. Denken in termen van een partnerschap is echter alles behalve evident. Het impliceert immers dat de partners beide evenveel verantwoordelijkheid dragen, niemand heeft het echt voor het zeggen. En dat ligt voor nogal wat managers moeilijk. Er wordt, zowel onder leidinggevenden als onder werknemers, sterk hiërarchisch gedacht. Uit onderzoek blijkt dat slechts 11 procent van de medewerkers zijn leidinggevende ziet als een partner op de werkplek met wie je samen werkt aan het verbeteren van prestaties. Er is dus nog 89 procent ruimte voor verbetering, stelt de auteur.
Coachen is niet zozeer een managementvaardigheid onder vele andere managementvaardigheden, maar een bepaalde stijl die bij een ander managementmodel hoort. Het steunt niet op controle, instructies en gehoorzaamheid. Coachen is managen zonder baas te spelen.
Een traditionele misvatting is volgens Verhoeven dat managers geacht worden om hun mensen te motiveren. Maar je kan niet verantwoordelijk zijn voor de drijfveren van iemand anders. Per definitie is een individu daar zelf verantwoordelijk voor. Bij coaching brengen de partners hun betrokkenheid aan de taak zelf mee. Verlichte managers hebben vandaag door dat medewerkers werk zoeken dat betekenis voor ze heeft en voldoening geeft. Dat betekent een zinvolle werkinhoud, interessante projecten, leermogelijkheden, gezamenlijke besluitvorming en overleg.
Coachen is tevens een kwestie van ruimte bieden aan de medewerker. Dat wil niet zeggen dat alle remmen los gaan. Volledige ruimte krijgen is trouwens beklemmend voor vele mensen. Dus is het handig als het speelveld enigszins gedefinieerd is. Grenzen aanleggen is echter iets heel anders dan regels bepalen. Regels zeggen wat mensen moeten doen en niet mogen doen, terwijl grenzen keuzemogelijkheden open laten.
Een coach moet niet op het veld staan met zijn spelers. De spelers moeten zelf de wedstrijd maken. Een van de meest hinderlijke gewoontes van managers, schrijft Verhoeven, is om een belangrijke taak te delegeren en die dan langzaam maar zeker weer naar zich toe te trekken, vanwege hun toenemende zenuwachtigheid, omdat ze het niet meer in de hand hebben. Terwijl leiden naar verantwoordelijkheid alleen kan betekenen dat men de medewerker verantwoordelijk laat zijn.
Als coach moet je zelfs ontmoedigen dat je mensen vooraf om goedkeuring komen vragen. En coach moet afhankelijkheid tegengaan, want dat geeft sommige medewerkers een veilig gevoel, maar kan de zin voor initiatief verhinderen.
Op die wijze bouwt de auteur het boek op aan de hand van tachtig concrete adviezen, die echter via een zeer logische opbouw zijn uitgewerkt. Het boek is allerminst een grabbelton van allerlei losstaande ideetjes meer een zeer goed en handig gestructureerd werk dat coachen als managementstijl ten gronde analyseert. Eigenlijk biedt de auteur een zeer goed onderbouwd pleidooi voor een coachende manier van leidinggeven. En die kan, in de huidige slechte tijden, als veel managers terugvallen op traditionele manieren van leidinggeven, juist voor de redding zorgen, gelooft Verhoeven. Maar zelfs als dat argument u wat te geforceerd klinkt, blijft het boek een zeer sterke aanrader voor wie wil nadenken en concreet werken aan leiderschap.
|
 |
 |
|
|

 |
| Tools voor de HR-profiler |
|
|
|
  |
| |
 |
|
Auteur: Willem De Bock (red.) |
| |
Uitgeverij: Kluwer, 2008 |
| |
ISBN: 978 90 4651753 6 |
| |
Prijs: 53 euro |
| |
 |
In tools voor de HR-profiler worden vijf veel gebruikte methodieken omtrent gedrags- en persoonlijkheidsbeschrijving in een professionele context uitvoerig toegelicht. Telkens wordt de tool in detail beschreven en geïllustreerd aan de hand van een grondig uitgewerkte gevalstudie.
De systemen die aan bod komen, zijn Occupational Personality Questionnaire (OPQ), Insights, Persoonlijke Profielanalyse (PPA), Radar, en de Myers-Briggs Type Indicator (MBTI). Het concept van elk instrument wordt duidelijk gedefinieerd - weliswaar in eerste instantie door de leveranciers van het instrument zelf. Ook de historiek en het wetenschappelijke onderzoekskader, de beschrijving van de doelgroepen en doelstellingen en de gebruiksvormen en modaliteiten worden uiteengezet. Na elke toolbeschrijving volgt een voorbeeld uit de praktijk.
De samenstellers van het boek benadrukken dat ze geenszins keuzebepalend willen zijn en wijzen erop dat er tal van andere methodieken in gebruik zijn, maar dat een rondvraag bij HR-professionals heeft geleerd dat de vijf besproken systemen het meest courant zijn. Door die vijf instrumenten op een vergelijkbare manier te benaderen, hopen de auteurs de lezer te kunnen helpen om aan de hand van enkele objectieve parameters vergelijkend materiaal over de tools in te zamelen. Want het gaat hier niet over een futiliteit, benadrukken ze: het betreft instrumenten die de psyche van de mensen aftasten en in verschillende HR-contexten van toepassing kunnen zijn: werving & selectie, persoonlijke ontwikkeling, interne mobiliteit, opleiding, coaching, teambuilding, conflicthantering, organisatieverandering enz. De methodieken meten immers in meer of mindere mate zowel gedrag en attitude als competenties, waarden, of de totale persoonlijkheid. Een zekere omzichtigheid over welke tool men op de medewerkers loslaat, is dan ook aangewezen.
Er wordt in de inleiding van het boek ook verwezen naar de discussie over de wetenschappelijke onderbouw van bepaalde tools. Dat debat ontstond vorig jaar, onder meer naar aanleiding van het boek “De HR-ballon” van Patrick Vermeren, die een reeks persoonlijkheidstests zwaar op de korrel nam precies omdat ze gebaseerd waren op achterhaalde en/of pseudowetenschappelijke principes. De samenstellers van “Tools voor de HR-profiler” schrijven nadrukkelijk dat ze zich van die discussie distantiëren. Dat is een vreemde houding, aangezien enkele van de besproken methodieken tot de gecontesteerde instrumenten behoren. Het is ook een gemiste kans: het boek slaagt er zeker wel in om een brede en tegelijkertijd diepgaande voorstelling te geven van de vijf systemen, met heel veel aandacht voor de ervaring van de praktijkmensen, maar het had aan geloofwaardigheid gewonnen als men die discussie wel had durven voeren, bijvoorbeeld door de praktijkervaringen te plaatsen tegenover de eventuele kritieken uit academische hoek. Het is niet eens gezegd dat de betrokken methodieken daardoor minder goed uit de verf zouden komen.
|
 |
 |
|
|

 |
|
  |
| |
 |
|
Auteur: Jeroen Busscher & Miranda Keijser-Van Gils (red.) |
| |
Uitgeverij: Business Contact, 2009 |
| |
ISBN: 978 90 4700173 7 |
| |
Prijs: 16,19 euro |
| |
 |
Het “Prekenboek voor leiders” is een verzameling toespraken van bedrijfsleiders, dominees, adviseurs die inspirerend moeten werken voor leidinggevenden. Uitgangspunt is dat leidinggeven aan organisaties gelijk staat met leidinggeven aan verandering. En om mensen mee te krijgen in een veranderingsproces, helpen sterke verhalen. Het boek behandelt thema’s die in de huidige management- en organisatiewereld vrij vertrouwd klinken: communicatie, creativiteit, klantgerichtheid, leren, coachen, zingeving, ondernemerschap, en dergelijke. De lezer wordt uitgenodigd om zich door de toespraken te laten inspireren, ze te gebruiken, te parafraseren, of er zelfs onderdelen van over te nemen.
Een goede toespraak - in het boek vaker “preek” genoemd - is volgens de auteurs niets anders dan een verhaal dat zich direct tot de toehoorders richt, hen op een of andere manier raakt, en hen beïnvloedt. Een toespraak nodigt uit tot reflectie, maar biedt tegelijkertijd houvast.
Het boek sluit af met een uitgebreide “prekenhandleiding”: wat is een preek of toespraak, waartoe moet die leiden, enz. De richtlijnen die de auteurs in dit hoofdstuk uiteen zetten, zijn bijzonder nuttig en worden efficiënt toegelicht. Wie geregeld een presentatie moet geven, vindt er een reeks goed uitgewerkte basisregels die de kans dat de boodschap inwerkt, drastisch verhogen. Zo moet een presentatie streven naar herkenbaarheid, het moet klinken als een persoonlijk verhaal, de spanningsboog moet goed zitten - wat zoveel betekent als voldoende afwisseling en een degelijke opbouw in het verhaal - enzovoort.
Maar misschien meer nog dan een handleiding om sterke toespraken te schrijven, biedt het boek via de respectabele reeks toespraken inzichten en visie over diverse organisatiethema’s. Hoewel niet elke toespraak die erin is opgenomen even sterk uit de hoek komt, levert de lectuur ervan geregeld stof tot nadenken.
Zo biedt bijvoorbeeld Johan Blok een uitgesproken visie op leiderschap. Een echte leider is niet uit op volgelingen, maar streeft er op de eerste plaats naar om mensen te leren zelfstandig te werken, zelfstandig te leven en keuzes te maken. Een leider is aanspreekbaar, herkenbaar en kwetsbaar. De uiteindelijk taak van leiderschap is de volgers te laten uitgroeien tot nieuwe leiders.
Elders in het boek past Jaap Peters in zijn bijdrage over communicatie de richtlijnen van de auteurs uitstekend toe: om de houding van vele managers te illustreren, vertrekt hij vanuit een persoonlijk en herkenbare anekdote uit de gezinscontext om te vergelijking te maken met managementteams, waar al eens wordt geklaagd over medewerkers die nog wel luisteren, maar niet doen wat de manager zegt. Maar het uitgangspunt moet niet zijn dat men zegt wat mensen precies moeten doen, maar wel dat ze dank zij de communicatie van het management een persoonlijk bijdrage kunnen leveren.
Het werk doet, ondanks de titel, allerminst prekerig aan, maar laat aan de hand van talrijke voorbeelden juist veel ruimte voor interpretatie en keuze.
|
 |
 |
|
|

 |
| Het Grote Drijfverenboek - de impact van drijfveren op mensen en organisaties |
|
|
|
  |
| |
 |
|
Auteur: Hans versnel |
| |
Uitgeverij:Pearson education, 2008 |
| |
ISBN:978 9043016520 |
| |
Prijs:33,99 euro |
| |
 |
Mensen, organisaties en hun drijfveren
Omdat de menselijke factor voor veel organisaties belangrijk is, is het relevant om een benadering te zoeken die de kloof tussen de wereld van het individu en de wereld van organisaties kan dichten.
De drijfveer biedt die mogelijkheid, beweert Hans Versnel, de auteur van "Het grote drijfverenboek". Er zijn talloze variabelen in het menselijke denken en functioneren die gemeten kunnen worden, maar de drijfveer kan een vocabulaire verschaffen voor het beschrijven en begrijpen van individueel menselijk gedrag en het functioneren van organisaties.
Ieder mens heeft een aantal drijfveren, zonder zelf te beseffen dat die vaak met elkaar op gespannen voet leven. Hans Versnel onderscheidt zes drijfveren en geeft die elk een typerende kleur: paars staat voor vertrouwdheid, geborgenheid en veiligheid, rood streeft naar een eigen domein, is krachtdadig, ongeduldig snel en impulsief, blauw streeft naar orde en zekerheid, oranje naar resultaten en vooruitgang. Groen stelt onderlinge harmonie voorop en geel streeft naar het verwerven van kennis en inzicht. Belangrijk is dat geen enkel mens slechts één drijfveer heeft. Bij volwassen mensen is het in de meeste gevallen goed mogelijk om zes drijfveren te meten. De drijfveren van de mens zijn altijd een bron van spanning, zowel tussen mensen als in het individu zelf. Iedere impuls kan gelijktijdig meerdere drijfveren, met alle bijpassende emoties activeren. Als we bijvoorbeeld beelden van een oorlog zien, kan de paarse drijfveer een gevoel van opluchting geven omdat men zelf veilig thuis zit, de rode drijfveer gevoelens van agressie opwekken, de groene kan protest opwekken om zoveel onmenselijk gedrag en de gele kan prikkelen om de context en betekenis van het conflict te vatten, enz.
Menukaart
Mensen leggen tijdens hun opvoeding een aantal drijfveren aan, in een bepaalde volgorde. Dat is biologisch noodzakelijk, en heeft tevens consequenties. Het menselijke denken en de menselijke emotie kunnen worden begrepen door verbanden te leggen tussen en combinaties te maken van de verschillende drijfveren. Dat leidt tot sequenties van steeds complexere drijfveren. Bovendien onderscheidt de auteur in zijn model daarnaast ook drie emotiegroepen, drie verwerkingsstijlen en drie niveaus van autonomie met verschillende tijdsbelevingen. Dat is met andere woorden een zeer ingewikkeld kluwen, dat een mens onmogelijk kan bevatten zonder gek te worden. Het is dus nodig om te selecteren. Het is als een menukaart: men moet een keuze maken tussen de eigen positie verdedigen, zich sociaal opstellen, rationeel handelen of impulsief,... De meeste mensen komen daar ook uit en kiezen een menu dat het beste past bij de context waarin ze leven. Jongvolwassenen schikken hun drijfveren in een bepaalde volgorde. Op die manier bekijken ze de wereld, spreken ze hun emoties aan en zo komt gedrag tot stand. Ieder mens hanteert dus een aantal vaste drijfverensequenties die telkens een individuele logica vertegenwoordigen. Afhankelijk van de context kan die logica echter veranderen - bij sommige mensen kan dat verschil groot zijn. Zo gedragen nogal wat mensen zich heel anders op het werk dan met hun vrienden aan de toog, bijvoorbeeld. Dus hoewel drijfveerpatronen in principe stabiel zijn, zijn ze tevens omgevingsafhankelijk.
Drijfveren kunnen echter ook in organisatiecontext toegepast worden. In tegenstelling tot individuen zijn organisaties genoodzaakt om een zekere balans tussen de drijfveren te creëren. Mensen kunnen elkaar aanvullen, maar in een organisatie moet elke drijfveer aanwezig zijn. De balans tussen de verschillende drijfveren binnen een organisatiecultuur is sterk verklarend voor het functioneren van die organisatie.
Drijfveren hebben ook een groot effect op communicatie. Zo heeft de drijfveer een grote impact op de manier waarop mensen naar elkaar luisteren en elkaars non-verbale communicatie interpreteren. Als mensen met uiteenlopende drijfveren samenwerken, zijn ze geneigd om met elkaar te communiceren op hun hoogste gemeenschappelijke drijfveer. Als er geen gemeenschappelijke drijfveer is die de communicatie gemakkelijk maakt, is het zeer moeilijk om verschillen tussen mensen productief te laten zijn. Dat kan tot grote problemen binnen teams leiden.
Belangrijk in teams is ook dat mensen bij de taakverdeling aansluiting vinden bij wat hen drijft, op hun dominante drijfveren - dat klinkt vanzelfsprekend, maar is het in de praktijk vaak niet.
Op basis van het drijfverenmodel tekent de auteur ook zes managementtypes. Daarbij nuanceert hij dat model ook meteen: dergelijke types komen zelden in een zuivere vorm voor. Wel stelde Versnel in zijn onderzoekswerk vast dat middle managers vaak zeer vergelijkbare drijfveersequenties vertoonden dan hun bazen.Verrassend is dat niet: het praat gemakkelijk met iemand die de wereld op dezelfde manier benadert als jezelf. Dat leidt echter tot een natuurlijk selectieproces van managers tot managementculturen met beperkte variatie in drijfveersequenties. Dat geeft een sturingsprobleem: de organisatie wordt gestuurd vanuit de drijfverensequentie van leiding, die zich doorgaans veel moeite getroost om de invloed van concurrerende drijfverensequenties zoveel mogelijk te beperken. Anderen meenemen in de eigen denksequentie is voor een stuk noodzakelijk, maar berokkent de organisatie tevens behoorlijk wat schade. De auteur licht dat grondig toe.
Hoe dan ook hebben organisaties baat bij een zekere balans tussen drijfveren. Een duurzame organisatie eist een gebalanceerd gedrag, waarbij voor alle organisatieaspecten aandacht bestaat. Ernstige problemen binnen organisaties hangen bijna altijd samen met de organisatieaspecten die geen aandacht kregen doordat alle energie ging naar de "overdreven" drijfveer. De auteur doet uitgebreid uit de doeken hoe balansen in een organisatiecultuur werken en hoe die bijgestuurd kunnen worden.
Daarnaast legt hij ook uit hoe nogal wat organisatieonderwerpen sterk met drijfveren verbonden zijn. Dat geldt onder meer voor ethiek en rechtvaardigheid, performance, medewerkerstevredenheid, marketing en verkoopsprocessen, strategie, e.d. Met andere woorden: kennis van de drijfveren binnen een organisatie en hoe die zich tegenover elkaar verhouden, kan bijzonder verhelderend zijn bij het opbouwen van een organisatiedynamiek.
Omdat drijfveren aan de grondslag liggen van gedrag, geven ze een zekere voorspelling van dat gedrag. Uit bepaalde drijfveren komen specifieke gedragingen naar voren. Drijfveren meten echter geen gedrag, maar wel de reden voor dat gedrag.
Teams
Tegelijkertijd erkennen Cor Keijser & Stephan Van Der Vat, auteurs van "Drijfveren in de praktijk", een opvolgboek van "Het grote drijfverenboek" , dat de drijfverentheorie een model blijft. En hoewel dat model veel complexer en genuanceerder is dan het overgrote deel van soortgelijke modellen, blijft het toch een vereenvoudiging van de realiteit. "Drijfveren in de praktijk" richt zich sterk naar praktische toepassingen voor managers, coaches en teams. Het gaat onder meer dieper in op de manier waarop een groep met drijfveren omgaat, met aandacht voor de potentiële kracht en zwakte van de groep en de rol van de leidinggevende. In een ander hoofdstuk wordt de ontwikkeling van teams uitgediept. Voor de auteurs slagen effectieve teams erin om bij elke drijfveer een positieve werkbare positie in te nemen, zonder overdrijving of onderwaardering. Dat betekent onder meer dat, afhankelijk van de behoefte van de organisatie er soms meer nadruk zal liggen op de blauwe drijfveren, soms op geel, een andere keer op oranje, enz.
De auteurs concentreren zich tevens op het veranderen van gedrag. Ze benaderen gedragsverandering vanuit twee uitgangspunten: handreikingen voor ander gedrag en coachen op het wegnemen van belemmeringen. In de eerste benadering is het uitgangspunt dat iedereen tot verschillende soorten gedrag in staat is, als hij daarvan maar het nut inziet. Dat nut ligt besloten in zijn eigen drijfverenpatroon.
Bij de tweede aanpak is aandacht voor dieperliggende overtuigingen, belemmeringen of angsten die mede een drempel vormen voor specifiek gewenst gedrag. De auteurs geven hierbij aan hoe gewerkt kan worden aan het zelfoplossend vermogen van het drijfverensysteem.
"Drijfveren in de praktijk"vormt een zeer waardevolle aanvulling bij "Het Grote Drijfverenboek". Hoe dan ook zijn beide werken zeer sterke én geslaagde pogingen om inzicht te krijgen in menselijk gedrag en de impact van wat mensen drijft op zichzelf, de omgeving en de (bedrijfs)organisatie. En inzicht is een basisvoorwaarde om efficiënte en zinvolle acties te ondernemen in het beïnvloeden en bijsturen van gedrag.
Wie voor beide werken voldoende tijd en ruimte neemt - dat is noodzakelijk wegens de complexiteit van de benadering - zal zich die inspanning niet beklagen.
|
 |
 |
|
|

 |
| Drijfveren in de praktijk - voor managers, teams en hun coaches |
|
|
|
  |
| |
 |
|
Auteur: Cor Keijser & Stephan Van Der Vat |
| |
Uitgeverij:Pearson Education, 2009 |
| |
ISBN:978 9043016520 |
| |
Prijs:35,99 euro |
| |
 |
Mensen, organisaties en hun drijfveren
Omdat de menselijke factor voor veel organisaties belangrijk is, is het relevant om een benadering te zoeken die de kloof tussen de wereld van het individu en de wereld van organisaties kan dichten.
De drijfveer biedt die mogelijkheid, beweert Hans Versnel, de auteur van "Het grote drijfverenboek". Er zijn talloze variabelen in het menselijke denken en functioneren die gemeten kunnen worden, maar de drijfveer kan een vocabulaire verschaffen voor het beschrijven en begrijpen van individueel menselijk gedrag en het functioneren van organisaties.
Ieder mens heeft een aantal drijfveren, zonder zelf te beseffen dat die vaak met elkaar op gespannen voet leven. Hans Versnel onderscheidt zes drijfveren en geeft die elk een typerende kleur: paars staat voor vertrouwdheid, geborgenheid en veiligheid, rood streeft naar een eigen domein, is krachtdadig, ongeduldig snel en impulsief, blauw streeft naar orde en zekerheid, oranje naar resultaten en vooruitgang. Groen stelt onderlinge harmonie voorop en geel streeft naar het verwerven van kennis en inzicht. Belangrijk is dat geen enkel mens slechts één drijfveer heeft. Bij volwassen mensen is het in de meeste gevallen goed mogelijk om zes drijfveren te meten. De drijfveren van de mens zijn altijd een bron van spanning, zowel tussen mensen als in het individu zelf. Iedere impuls kan gelijktijdig meerdere drijfveren, met alle bijpassende emoties activeren. Als we bijvoorbeeld beelden van een oorlog zien, kan de paarse drijfveer een gevoel van opluchting geven omdat men zelf veilig thuis zit, de rode drijfveer gevoelens van agressie opwekken, de groene kan protest opwekken om zoveel onmenselijk gedrag en de gele kan prikkelen om de context en betekenis van het conflict te vatten, enz.
Menukaart
Mensen leggen tijdens hun opvoeding een aantal drijfveren aan, in een bepaalde volgorde. Dat is biologisch noodzakelijk, en heeft tevens consequenties. Het menselijke denken en de menselijke emotie kunnen worden begrepen door verbanden te leggen tussen en combinaties te maken van de verschillende drijfveren. Dat leidt tot sequenties van steeds complexere drijfveren. Bovendien onderscheidt de auteur in zijn model daarnaast ook drie emotiegroepen, drie verwerkingsstijlen en drie niveaus van autonomie met verschillende tijdsbelevingen. Dat is met andere woorden een zeer ingewikkeld kluwen, dat een mens onmogelijk kan bevatten zonder gek te worden. Het is dus nodig om te selecteren. Het is als een menukaart: men moet een keuze maken tussen de eigen positie verdedigen, zich sociaal opstellen, rationeel handelen of impulsief,... De meeste mensen komen daar ook uit en kiezen een menu dat het beste past bij de context waarin ze leven. Jongvolwassenen schikken hun drijfveren in een bepaalde volgorde. Op die manier bekijken ze de wereld, spreken ze hun emoties aan en zo komt gedrag tot stand. Ieder mens hanteert dus een aantal vaste drijfverensequenties die telkens een individuele logica vertegenwoordigen. Afhankelijk van de context kan die logica echter veranderen - bij sommige mensen kan dat verschil groot zijn. Zo gedragen nogal wat mensen zich heel anders op het werk dan met hun vrienden aan de toog, bijvoorbeeld. Dus hoewel drijfveerpatronen in principe stabiel zijn, zijn ze tevens omgevingsafhankelijk.
Drijfveren kunnen echter ook in organisatiecontext toegepast worden. In tegenstelling tot individuen zijn organisaties genoodzaakt om een zekere balans tussen de drijfveren te creëren. Mensen kunnen elkaar aanvullen, maar in een organisatie moet elke drijfveer aanwezig zijn. De balans tussen de verschillende drijfveren binnen een organisatiecultuur is sterk verklarend voor het functioneren van die organisatie.
Drijfveren hebben ook een groot effect op communicatie. Zo heeft de drijfveer een grote impact op de manier waarop mensen naar elkaar luisteren en elkaars non-verbale communicatie interpreteren. Als mensen met uiteenlopende drijfveren samenwerken, zijn ze geneigd om met elkaar te communiceren op hun hoogste gemeenschappelijke drijfveer. Als er geen gemeenschappelijke drijfveer is die de communicatie gemakkelijk maakt, is het zeer moeilijk om verschillen tussen mensen productief te laten zijn. Dat kan tot grote problemen binnen teams leiden.
Belangrijk in teams is ook dat mensen bij de taakverdeling aansluiting vinden bij wat hen drijft, op hun dominante drijfveren - dat klinkt vanzelfsprekend, maar is het in de praktijk vaak niet.
Op basis van het drijfverenmodel tekent de auteur ook zes managementtypes. Daarbij nuanceert hij dat model ook meteen: dergelijke types komen zelden in een zuivere vorm voor. Wel stelde Versnel in zijn onderzoekswerk vast dat middle managers vaak zeer vergelijkbare drijfveersequenties vertoonden dan hun bazen.Verrassend is dat niet: het praat gemakkelijk met iemand die de wereld op dezelfde manier benadert als jezelf. Dat leidt echter tot een natuurlijk selectieproces van managers tot managementculturen met beperkte variatie in drijfveersequenties. Dat geeft een sturingsprobleem: de organisatie wordt gestuurd vanuit de drijfverensequentie van leiding, die zich doorgaans veel moeite getroost om de invloed van concurrerende drijfverensequenties zoveel mogelijk te beperken. Anderen meenemen in de eigen denksequentie is voor een stuk noodzakelijk, maar berokkent de organisatie tevens behoorlijk wat schade. De auteur licht dat grondig toe.
Hoe dan ook hebben organisaties baat bij een zekere balans tussen drijfveren. Een duurzame organisatie eist een gebalanceerd gedrag, waarbij voor alle organisatieaspecten aandacht bestaat. Ernstige problemen binnen organisaties hangen bijna altijd samen met de organisatieaspecten die geen aandacht kregen doordat alle energie ging naar de "overdreven" drijfveer. De auteur doet uitgebreid uit de doeken hoe balansen in een organisatiecultuur werken en hoe die bijgestuurd kunnen worden.
Daarnaast legt hij ook uit hoe nogal wat organisatieonderwerpen sterk met drijfveren verbonden zijn. Dat geldt onder meer voor ethiek en rechtvaardigheid, performance, medewerkerstevredenheid, marketing en verkoopsprocessen, strategie, e.d. Met andere woorden: kennis van de drijfveren binnen een organisatie en hoe die zich tegenover elkaar verhouden, kan bijzonder verhelderend zijn bij het opbouwen van een organisatiedynamiek.
Omdat drijfveren aan de grondslag liggen van gedrag, geven ze een zekere voorspelling van dat gedrag. Uit bepaalde drijfveren komen specifieke gedragingen naar voren. Drijfveren meten echter geen gedrag, maar wel de reden voor dat gedrag.
Teams
Tegelijkertijd erkennen Cor Keijser & Stephan Van Der Vat, auteurs van "Drijfveren in de praktijk", een opvolgboek van "Het grote drijfverenboek" , dat de drijfverentheorie een model blijft. En hoewel dat model veel complexer en genuanceerder is dan het overgrote deel van soortgelijke modellen, blijft het toch een vereenvoudiging van de realiteit. "Drijfveren in de praktijk" richt zich sterk naar praktische toepassingen voor managers, coaches en teams. Het gaat onder meer dieper in op de manier waarop een groep met drijfveren omgaat, met aandacht voor de potentiële kracht en zwakte van de groep en de rol van de leidinggevende. In een ander hoofdstuk wordt de ontwikkeling van teams uitgediept. Voor de auteurs slagen effectieve teams erin om bij elke drijfveer een positieve werkbare positie in te nemen, zonder overdrijving of onderwaardering. Dat betekent onder meer dat, afhankelijk van de behoefte van de organisatie er soms meer nadruk zal liggen op de blauwe drijfveren, soms op geel, een andere keer op oranje, enz.
De auteurs concentreren zich tevens op het veranderen van gedrag. Ze benaderen gedragsverandering vanuit twee uitgangspunten: handreikingen voor ander gedrag en coachen op het wegnemen van belemmeringen. In de eerste benadering is het uitgangspunt dat iedereen tot verschillende soorten gedrag in staat is, als hij daarvan maar het nut inziet. Dat nut ligt besloten in zijn eigen drijfverenpatroon.
Bij de tweede aanpak is aandacht voor dieperliggende overtuigingen, belemmeringen of angsten die mede een drempel vormen voor specifiek gewenst gedrag. De auteurs geven hierbij aan hoe gewerkt kan worden aan het zelfoplossend vermogen van het drijfverensysteem.
"Drijfveren in de praktijk"vormt een zeer waardevolle aanvulling bij "Het Grote Drijfverenboek". Hoe dan ook zijn beide werken zeer sterke én geslaagde pogingen om inzicht te krijgen in menselijk gedrag en de impact van wat mensen drijft op zichzelf, de omgeving en de (bedrijfs)organisatie. En inzicht is een basisvoorwaarde om efficiënte en zinvolle acties te ondernemen in het beïnvloeden en bijsturen van gedrag.
Wie voor beide werken voldoende tijd en ruimte neemt - dat is noodzakelijk wegens de complexiteit van de benadering - zal zich die inspanning niet beklagen.
|
 |
 |
|
|

 |
| De snelheid van vertrouwen |
|
|
|
  |
| |
 |
|
Auteur: Stephan M.R. Covey |
| |
Uitgeverij:Business Contact |
| |
ISBN:978 9047000877 |
| |
Prijs:35,99 euro |
| |
 |
Het tastbare van vertrouwen
Als de zoon van de goeroe der goeroes Stephen Covey - die dezelfde naam draagt als zijn vader en intussen zelf de goeroestatus heeft bereikt - een boek schrijft dat met veel aplomb de wereld wordt ingestuurd, is enig scepticisme op zijn plaats. Als dat boek bovendien gaat over het creëren van vertrouwen in organisaties en de (meetbare) invloed daarvan op de prestaties, dan wordt elke kritische geest wantrouwig.
En ja, het boek van Stephen Covey bevat alle ingrediënten dat je van een Amerikaans goeroeboek mag verwachten: een zeer gedreven stijl, een opeenstapeling van anekdotes en voorbeelden, een systematisering van het onderwerp én het rotsvaste geloof dat je met die methodiek de sleutel tot succes in handen hebt. Dat Covey daarbij ook zijn privé- en gezinsleven, echtelijke ruzies inclusief, te grabbel gooit, maakt deel uit van het Amerikaanse boekenrecept.
En toch. Covey slaagt erin om dat scepticisme grotendeels weg te werken door het begrip vertrouwen op een solide en zinvolle manier af te lijnen en weet het economische belang ervan overtuigend aan te tonen. Dat laatste is zowat het uitgangspunt van de auteur: vertrouwen wordt al te vaak beschouwd als een ontastbare, moeilijk te vatten en softe waarde, terwijl het volgens hem een keihard economisch meetbaar managementinstrument is. Hij legt in het boek op een heldere manier uit waarom vertrouwen een kritische succesfactor is in een organisatie. Men kan zich natuurlijk de bedenking maken dat zoiets niet meer bewezen hoeft te worden. Toch toont Covey aan, door een reeks argumenten mooi op een rijtje te zetten, dat de impact van vertrouwen nog veel groter is dan men denkt. Een gebrek aan vertrouwen leidt tot spanningen, rivaliteit, verborgen agenda’s, defensieve houdingen. Dat zijn stuk voor stuk elementen die de snelheid en efficiëntie van de besluitvorming vertragen. Vertrouwen daarentegen, genereert snelheid. Bovendien is vertrouwen iets waar men kan aan werken, gelooft Covey, waarmee hij ingaat tegen de brede overtuiging dat je vertrouwen hebt of niet hebt en dat daar weinig aan te doen is.
Covey serveert een soort routeplanner om vertrouwen op elk niveau te bereiken, om te werken aan karakter en competenties, om geloofwaardigheid te versterken en om een leiderschap te ontwikkelen dat inspireert tot vertrouwen. Daartoe onderscheidt hij een reeks eigenschappen en vijf “cirkels van vertrouwen”: de binnenste cirkel heeft betrekking op vertrouwen in jezelf, de tweede op relatievertrouwen, de derde situeert zich op het niveau van de organisatie, de vierde op het niveau van de markt en de vijfde cirkel gaat over maatschappelijk vertrouwen. Dat model is een metafoor voor de manier waarop vertrouwen werkt: het begint bij ieder persoonlijk en deint verder uit naar relaties tot uiteindelijk de samenleving als geheel.
Op elk van die niveaus gaat de auteur grondig in. Zo stelt hij dat de eerste cirkel - vertrouwen in jezelf - helemaal draait om geloofwaardigheid. Dat begrip wordt uitgebreid ontleed en toegelicht en de lezer krijgt bovendien enkele vragenlijsten - die ook elders in het boek opduiken - voorgeschoteld om zijn eigen geloofwaardigheid in kaart te brengen.
Bij de tweede cirkel, die van het relatievertrouwen, draait het volgens Covey helemaal rond gedrag. En om vertrouwen op dat niveau te bereiken, onderscheidt hij dertien gedragingen die daartoe bijdragen.
De auteur beseft het gevaar van oppervlakkigheid bij een dergelijke systematisering en waarschuwt de lezer vooraf voor de relativiteit ervan: goede gedragingen kunnen ook worden overdreven, waardoor ze een zwak punt worden in plaats van een sterk. Daarnaast moeten die gedragingen ook met elkaar in evenwicht zijn. Zo volstaat het niet om recht door zee te zijn (één van de gewenste gedragingen) als daar geen houding van respect (een ander genoemd gedrag) tegenover staat. Want dat leidt ertoe dat men zich als een olifant in een porseleinkast kan gedragen.
Bij het bespreken van de dertien gedragingen komt de auteur vaak tot inzichten die helemaal niet zo nieuw zijn, maar die in de praktijk wel zelden worden toegepast. Om te ontdekken dat het creëren van transparantie tot een beter begrip van bepaalde standpunten en/of beslissingen leidt en bijgevolg ook dikwijls tot meer betrokkenheid, hoef je namelijk geen goeroe te zijn. Maar toch blijkt er in de praktijk vanuit het management vaak angst te bestaan om een transparant beleid te voeren. Vertrouwen is dan ook een kwestie van risico’s beheersen: blind vertrouwen kan al even nefast zijn als manifest wantrouwen. Het komt er op aan om “slim te vertrouwen”, zoals de auteur dat definieert. Covey reikt een context en adviezen aan om daartoe te komen.
Hoewel de rode draad doorheen het boek de tastbare invloed van vertrouwen op het (bedrijfs)leven is, legt de auteur niet al te veel nadruk op het meten daarvan, en dat versterkt zijn geloofwaardigheid. Een cultuur van vertrouwen creëren maakt organisaties en relaties sterker en efficiënter, daar gaat het de auteur op de eerste plaats om.
|
 |
 |
|
|

 |
|
  |
| |
 |
|
Auteur: Clay Shirky |
| |
Uitgeverij: Business Contact, 2008 |
| |
ISBN: 978-90-4700080-8 |
| |
Prijs: 23,74 euro |
| |
 |
De wereld als talentenbank
“Iedereen” van Clay Shirky belicht helemaal geen HR-thema. Het boek gaat in eerste instantie zelfs niet over de bedrijfswereld. Toch verdient het een plaats in deze rubriek. Het concentreert zich namelijk op de vraag hoe digitale netwerken onze contacten, samenwerking en organisaties veranderen - en dus gaat het wel over het functioneren van mensen, in de digitale maatschappij en in het bedrijfsleven. Want dat internet een revolutie heeft teweeggebracht in de manier waarop mensen informatie verzamelen, delen, en in de wijze waarop ze zich organiseren, staat buiten kijf. De auteur spreekt van een verandering die qua omvang en impact vergelijkbaar is met het ontstaan van de boekdrukkunst. Of de invloed van het internet even radicaal zal zijn als die van de drukpers op de vijftiende-eeuwse maatschappij, kan nog niet worden gezegd, schrijft de auteur. Maar het is alvast niet te vroeg om te concluderen dat er tussen 1450 en 2008 niets gebeurd is in de menselijke geschiedenis dat in de buurt komt als het om de verandering van het medialandschap gaat. Het is evenmin te vroeg om al vast te stellen dat we een fundamentele verandering van het intellectuele leven meemaken.
Shirky beschrijft in zijn boek uitgebreid, en in een zeer levendige, narratieve stijl, enkele trends die internet op gang heeft gebracht en die betrekking hebben op informatiedeling, het vormen van sociale groepen, het organiseren van acties, en dergelijke. Het boek trekt je van meet af aan mee in de huidige internetwereld: de auteur vertelt het verhaal over een telefoondiefstal en de manier waarop het slachtoffer internet gebruikt om de dader bekend te maken en onder druk te zetten en om voor zijn ‘geval’ morele steun te verzamelen. De hele historie - van uiteindelijk een banaal feit - kreeg door de aangroeiende reacties op internet zelfs aandacht in de grote, officiële media. Shirky, die zich al jaren vastbijt in de impact van internet op de samenleving, toont hiermee aan dat nieuwe technologieën voor nieuwe manieren van groepsvorming zorgen. Dat doet hij verder in het boek, vanuit andere invalshoeken en in een andere context, nog herhaalde keren.
Doordat een bedrijf managen op zich al kosten met zich meebrengt wordt een grote hoeveelheid potentieel waardevolle projecten niet meer haalbaar. Maar als een internetgemeenschap groot genoeg is, kan alles geprobeerd worden, met een hogere kans op uitzonderlijke successen. Een bedrijf kan echter niet alles proberen, want wordt geconfronteerd met overheadkosten en veel financiële ruimte om mislukkingen toe te staan, is er niet. Binnen een normale bedrijfsstructuur lijkt geen manier te bestaan om te doen wat sociale netwerken doen. Als de kostenfactor op zich de reden is dat een geniaal idee niet wordt uitgevoerd, dan moeten die kosten omlaag - en een manier om dat te doen is de participanten anders bij elkaar brengen dan in een gebouw.
De nieuwe sociale techniek biedt een manier om groepen bijeen te brengen zonder een hiërarchie in te richten. Door internet is grootscheepse coördinatie tegen lage kosten mogelijk geworden en zijn complexe groepsactiviteiten mogelijk, zonder enige vorm van institutionele sturing. De sociale techniek maakt met andere woorden de weg vrij voor activiteiten die door een los gestructureerde groep, zonder manager en zonder winstbelang worden gerealiseerd. Zo’n voorbeeld is de internetencyclopedie Wikipedia - die werkt zonder budget, managers of formele werkprocedures, op basis van “spontane arbeidsverdeling”. Terwijl daar in 2001 nog veel scepsis tegenover bestond - terecht, vindt de auteur: toen kon niemand voorspellen dat het groeitempo en de gemiddelde kwaliteit zo hoog zouden blijven - heeft de internetencyclopedie intussen een status van degelijkheid verkregen.
Het open besturingssysteem Linux is een ander voorbeeld van hoe men de wereld kan gebruiken als talentenbank. De groeiperiode van Linux viel perfect samen met de opkomst van het internetgebruik en gold als eerste initiatief dat de nieuwe regels van het alomtegenwoordige internet in zijn voordeel wist te gebruiken. De Linuxwerkwijze hangt samen met de verlaagde transactiekosten, het gemak waarmee je mensen samenbrengt zonder een hiërarchische structuur te moeten opzetten. De aanpak van Linux heeft grote bedrijven als Microsoft, IBM, HP en Oracle gedwongen om hun strategie aan te passen. Zij moeten rekening houden met het feit dat allerlei webbrowsers, tekstverwerkers, fotobewerking gratis ter beschikking staan en daar ook voortdurend verbeterd worden.
Het boek toont, uitstekend gedocumenteerd en vlot leesbaar, aan dat internet een zeer ingrijpende invloed heeft om de manier waarop mensen met informatie, maar ook met elkaar omgaan. Bedrijven en HR-verantwoordelijken kunnen dat als een bedreiging zien, maar er ook opportuniteiten en leerpunten uit halen.
|
 |
 |
|
|

 |
| Strategisch HRM - erkennen, begrijpen en doen |
|
|
|
  |
| |
 |
|
Auteur: Eelke Pol |
| |
Uitgeverij: Van Gorcum, 2008 |
| |
ISBN: 978 90 2324439 4 |
| |
Prijs: 33,99 euro |
| |
 |
Strategisch HRM: de clichés voorbij
Een boek dat zich in 2008 over het thema “Strategisch HRM” buigt, mag op zijn minst met enige argwaan worden bekeken. Strategisch HRM is immers een spijker waar al jaren op geklopt wordt zonder dat iemand zich afvraagt of je die nog wel dieper moet slaan. Het is een potje dat al jaren opgewarmd wordt, met het gevolg dat er slechts een flets afkooksel overblijft.
Maar uitzonderingen bevestigen de regel, en Eelke Pol, de auteur van “Strategisch HRM”, is zo’n uitzondering. Het boek blijft niet hangen rond hetzelfde afgezaagde refrein dat HR de business moet kennen (natuurlijk moet dat, het is verbazingwekkend dat daar nog altijd moet over gediscussieerd worden), maar analyseert het begrip strategisch HRM ten gronde. Het boek is dan ook theoretisch en beschouwend van aard, maar toont tegelijkertijd toch voldoende voeling met de realiteit.
De auteur definieert strategisch HRM als “alle activiteiten van de organisatie gericht op het op elkaar afstemmen van gedrag, kennis en ambities van mensen in en om die organisatie enerzijds en de doelstellingen van die organisatie anderzijds. Dit vanuit de veronderstelling dat mensen het verschil maken tussen een gemiddelde en een succesvolle organisatie.”
In die definitie legt hij dus al de nadruk op twee aspecten: de organisatiekant en de menskant.
Wat de organisatiekant betreft, gaat de auteur het belang van strategisch HRM na in drie managementthema’s die volgens de auteur prioritair (moeten) zijn: innovatie, maatschappelijk verantwoord ondernemen en “grenzeloos” organiseren. Een organisatie die de menselijke factor niet in die elementen betrekt, heeft weinig kans op succes, betoogt de auteur en hij werkt deze stelling in het boek ook uit.
Die factor mens laat zich overigens niet gemakkelijk managen, beseft de auteur, want voortdurend in beweging, zowel kwalitatief als kwantitatief. De arbeid is schaars, de verwachtingen evolueren en de eisen veranderen. Toch is het niet onmogelijk om een zo goed mogelijke afstemming te bereiken tussen mens en organisatie. Die doelstelling is meteen ook cruciaal in een strategisch HR-beleid. Nogal wat organisatievraagstukken dragen namelijk een duidelijke “mens-component” in zich. Innovatie bijvoorbeeld, staat of valt met de sociale dimensie. Vandaar dat de auteur in het boek nogal wat aandacht besteedt aan sociale innovatie. Daarnaast mag het menselijke aspect van een onderneming die zich over grenzen heen (ongeacht of het landsgrenzen zijn of betrekking heeft op uitbreiding van de activiteiten) organiseert, niet vergeten worden. Het succes van een keten en netwerksamenwerking wordt in niet geringe mate bepaald door de mensen die daar bij betrokken zijn.
Maar strategisch HRM mag dan al van groot belang zijn in veranderingsprocessen, het vormt op zichzelf ook een veranderingsproces. Het boek besteedt bijgevolg veel aandacht aan het tot stand brengen van een cultuur waarbinnen strategisch HRM kan gedijen. In het kader daarvan gaat de auteur dieper in op vijf “veranderkundige inzichten” die ter zake van belang zijn: mensen en organisaties leven in de tijd (zowel verleden, heden als toekomst zijn essentieel), de balans tussen urgentie en perspectief (beide zijn even belangrijk), concretiseren naar individueel niveau, dialoog en reflectie, en ten slotte systeemtheorie, wat te maken heeft met het inzicht in het geheel in plaats van het bekijken van de losse onderdelen.
Het realiseren van strategisch HRM ziet de auteur in drie fasen: erkennen, begrijpen en doen. Voor elk van die fasen onderscheidt hij drie niveaus, waarbij telkens het derde niveau de beste basis biedt voor een degelijk strategisch HRM. Wat “erkennen” betreft, is het draagvlak voor strategisch HRM optimaal als de meeste stakeholders (werknemers, vakbonden, directie, management, klanten, e.d.) een invloed kunnen uitoefenen op de human factor. In de fase “begrijpen” maken de organisaties die de uitdagingen en kansen van de omgeving doorzien en die kunnen verbinden aan de mogelijkheden, drijfveren en ambities van de medewerkers het meeste kans om hun doelstellingen te realiseren.
Uiteraard volstaan inzicht en begrip niet, maar moeten daar ook acties aan gekoppeld worden. De auteur wijst erop dat hier de mens centraal moet worden geplaatst - en dat is meer dan een holle slogan: hij stelt immers vast dat in de praktijk bij veel HR-afdelingen de nadruk ligt op het instrumentarium. De auteur zegt niet dat dergelijk instrumentarium niet nuttig is, wel integendeel, maar al te vaak leidt het de (HR-)verantwoordelijken af van de essentie: de menselijke factor zelf. Want als het met die factor niet goed zit, dat blijft het effect van instrumenten zeer beperkt.
“Strategisch HRM” is niet het zoveelste doorslagje van een bekend adagium, maar biedt waardevolle, gefundeerde beschouwingen.
|
 |
 |
|
|

 |
| De HR-ballon - 10 populaire praktijken doorprikt |
|
|
|
  |
| |
 |
|
Auteur: Patrick Vermeren |
| |
Uitgeverij: Academia Press, 2007 |
| |
ISBN: 978 90 3821180 0 |
| |
Prijs: 21 euro |
| |
 |
HR-methodieken in hun blootje
Patrick Vermeren, medezaakvoerder van Performance Coaching, heeft zich de voorbije maanden ontpopt als een zeer kritisch analist van (vooral) beoordelings- en typeringsmethodieken die binnen HR gebruikt worden (zie HRMagazine juni 2008). Zijn boek “De HR-ballon” is dan ook een zeer degelijk en sterk gestoffeerd werk dat tien populaire (HR-)praktijken tegen het licht houdt. De eindbalans is meestal een (te?) scherp rapport dat de zwakke plekken van de methodieken in kwestie blootlegt. Hij zet in de inleiding van het boek overigens al meteen de toon: “Misschien kan dit boek helpen om in het oerwoud van HR toch nog de bomen te zien. Hopelijk kan het mensen weerbaar wapenen tegen onbetrouwbare en manipulatieve praktijken.”
Het eerste model dat Vermeren op de korrel neemt, is dat van “Situational Leadership”, ontwikkeld door Paul Hersey en Kenneth Blanchard. De auteur schetst grondig en zeer systematisch de methodiek achter het model, waarbij hij de mankementen aan de oppervlakte brengt. Zo komt hij onder meer tot de vaststelling dat het model veel te beperkt is om als een echt leiderschapsmodel beschreven te worden en toont dat aan met studiemateriaal en concrete voorbeelden en situaties. Op dezelfde diepgravende manier haalt Vermeren Neurolinguïstisch Programmeren (NLP), en typologiemethodes als MBTI, Enneagram, Lifo en TKI (Thoms-Kilmann Instrument) over de hekel.
Hij verwijst onder meer naar onafhankelijk onderzoek, dat aantoont dat 47 tot 60 procent van de deelnemers aan de MBTI-test na vijf weken tot een ander testresultaat komen. Eén van de problemen die Vermeren bij de MBTI-test aanhaalt is het “ipsatieve karakter” ervan: de test vertrekt van een gedwongen keuze. De deelnemer moet één van beide mogelijkheden kiezen, ook al heeft hij geen uitgesproken voorkeur. Dat leidt tot uitvergrotingen van kleine nuances, waardoor de waarheid geweld wordt aangedaan.
Ook TKI (dat door vele HR- en opleidingsverantwoordelijken wordt gebruikt om de conflictstijl van iemand te meten) is in datzelfde bedje ziek. Dat model gaat volgens de auteur in de fout omdat het wel conflictstijlen onderscheidt, maar geen gewag maakt van conflictsoorten - bijvoorbeeld taakconflicten en relatieconflicten. Alle conflicten worden op één hoop gegooid. Bijkomend probleem is dat van TKI geen gevalideerde Nederlandse versie bestaat. De vertalingen die in omloop zijn, zijn dan ook niet wetenschappelijk genormeerd.
Ook Maslow moet er in het boek van Vermeren aan geloven. De behoeftepiramide van Maslow stelt dat, als aan een lagere behoefte voldaan is, deze afneemt in belang. Dat is volgens de auteur manifest onjuist. Ook bij de hiërarchische volgorde van de behoeftes plaatst hij nogal wat vraagtekens: om aan zelfrealisatie (de top van de piramide) te kunnen werken , geven mensen soms hun veiligheid en stabiliteit op (de tweede behoefte), argumenteert hij. Dergelijke bedenkingen werden overigens al vrij snel na de opmars van de Maslow-theorie geuit. De auteur verbaast er zich dan ook over dat de theorie nog altijd opgang maakt in de HR-wereld.
Hoewel de auteur, zoals gezegd, zeer grondig tewerk gaat, kan men zich afvragen of hij met zijn bedenkingen veel nieuwswaarde bevatten. Dat de besproken typologieën of methodieken niet als het evangelie moeten worden beschouwd, maar misschien wel een hulpmiddel kunnen zijn, moest al lang niet meer bewezen worden - althans dat mogen we hopen. Ook trekt hij soms iets te fel van leer in het veroordelen van de praktijken. Maar dat alles doet niets af aan de degelijkheid waarmee hij zijn pleidooi opbouwt.
Veel gevoeliger ligt wellicht zijn standpunt tegenover evaluatiepraktijken. Patrick Vermeren pleit er onomwonden voor om de jaarlijkse beoordelingsgesprekken af te schaffen, want in het bedrijfsleven gaat men er vrijwel eensgezind van uit dat het beoordelen van mensen en het koppelen van loon aan deze prestatiebeoordeling een goede HR-praktijk is. Niet dus, vindt Vermeren en hij haalt vervolgens een reeks argumenten aan om die visie te schragen.
De auteur schiet wel wat door als hij uit de mankementen aan de beoordelingspraktijk besluit dat we die maar meteen moeten opdoeken. Dat is het kind met het badwater weggooien. Maar een scherpe boodschap vindt natuurlijk sneller weerklank...
Hij pleit zelf voor andere vormen van gesprekken die samenwerking en ontwikkeling promoten en voor het creëren van een stimulerende feedbackomgeving. In die zin vindt hij 360°-feedbackinstrumenten zeer zinvol, weliswaar met de nadruk op informele feedback.
Hoewel de auteur af en toe wat te ongenuanceerd uit de hoek komt, heeft hij zonder discussie wel één van de meest gefundeerde en meest waardevolle werken uit de Nederlandstalige HR-literatuur van de jongste jaren afgeleverd.
|
 |
 |
|
|

 |
|
  |
| |
 |
|
Auteur: Lowell L. Bryan & Claudia I. Joyce |
| |
Uitgeverij: Business Contact, 2008 |
| |
ISBN: |
| |
Prijs: 35,27 euro |
| |
 |
De organisatie van de 21e eeuw
Het uitgangspunt van de auteurs van “Talent aan zet” is dat een organisatiestructuur moet worden ontworpen in het licht van de ontwikkeling en implementatie van een bedrijfsstrategie. Organisaties kunnen bewust worden ontworpen, zodat ze beter kunnen inspelen op de economische situatie van de 21e eeuw. Dat vergt specifieke initiatieven, die in het boek uitgebreid en met veel visie worden belicht.
De auteurs stellen tevens vast dat in de praktijk bij de meeste functies slechts een fractie van het denkvermogen van de werknemer wordt benut. Zeker in het licht van de nieuwe economische realiteit is dat op termijn nefast, argumenteren ze. Het probleem is dat zelfs de meest moderne bedrijven niet voor de 21e eeuw ontworpen zijn. Een organisatiemodel dat bedoeld is voor de vorige eeuw, legt dan ook beperkingen op aan de prestaties van een onderneming in de huidige periode. Het leidt ook tot een enorme, onnodige, onproductieve complexiteit, zodat werknemers gefrustreerd geraken en er veel geld verloren gaat. De inefficiëntie van bedrijven is volgens de auteurs groter dan ooit, omdat veel meer werknemers kenniswerk verrichten. Hun behoefte aan interactie is groter dan ooit tevoren. De moderne digitale technologie heeft ze allerlei interactiemogelijkheden gegeven, maar heeft de complexiteit van deze interacties ook tot een ondraaglijk niveau verhoogd. Het komt er dan ook op aan om de onproductieve complexiteit weg te werken. Bedrijven moeten zich zodanig (her)structureren dat ze naast arbeid en kapitaal ook denkvermogen kunnen mobiliseren.
De huidige economische realiteit heeft zo veel grilligheid in zich, dat het onmogelijk is om op al die veranderingen adequaat in te spelen. Maar dat betekent niet dat bedrijven er machteloos tegenover staan: het is weliswaar onmogelijk om het weer te managen, maar je kan wel een schip bouwen dat in staat is alle weersomstandigheden te weerstaan.
Een hedendaags organisatie moet een smalle maar duidelijke hiërarchie hebben, met veel autonomie voor de managers - die moeten gericht zijn op verandering en niet op controle - en met fora voor talent en kennisdeling om innovatie te stimuleren. Dat is volgens de auteurs zowat het profiel van een onderneming die klaar is voor deze eeuw.
Het boek belicht in detail hoe een organisatie kan worden ontworpen zodat deze kan profiteren van de kansen van de 21e eeuw. De ideeën die worden aangereikt, vullen elkaar aan. De auteurs benadrukken echter dat ze geen “kookboek” wilden schrijven: de aangereikte voorstellen zijn geen recepten die tot een zeer welomlijnde oplossing zullen leiden. Bedrijfsleiders moeten zelf uitmaken welke ideeën nuttig zijn voor hun organisatie en in welke volgorde ze die toepassen.
De suggesties die in het boek worden uitgewerkt, zijn onderverdeeld in vier grote groepen: ideeën voor een beter bestuur, ideeën om de doorstroming van immateriële activa te verbeteren, ideeën om beter gedrag te motiveren en ideeën voor de invoering van een organisatiestrategie. Aan elk idee is een apart hoofdstuk gewijd. Niet alle suggesties die de auteurs aanbrengen, zijn origineel. Bijvoorbeeld in de hoofdstukken over prestatieverloning of het uittekenen van een organisatie die innovatieve initiatieven stimuleert, zijn vrij complexe uiteenzettingen te lezen, ook al bewandelen de auteurs er vooral platgetreden paden.
Niettemin geven ze effectief ook veel zeer zinvolle zaken mee, die ze bovendien degelijk uitwerken. Zo bieden de hoofdstukken over formele netwerken, talentmarktplaatsen en kennismarktplaatsen zeer interessante inzichten om een bedrijfsorganisatie anders en beter aan te pakken. Daarmee gaan ze ook deels in tegen enkele gangbare overtuigingen, zoals bijvoorbeeld de waarde van informele netwerken in het licht van innovatieve projecten. Dergelijke netwerken zijn zinvol, maar creëren ook problemen. Doordat ze informeel zijn en (dus) een geïmproviseerde structuur hebben, is de effectiviteit zeer variabel. De auteurs pleiten dan ook voor formele netwerken, die een duidelijke leiding hebben en dus bestuurd worden, waar in geïnvesteerd wordt en waar ook de effectiviteit van getoetst wordt. Vergelijkbare mechanismen zijn de talentmarktplaats en de kennismarktplaats, die eveneens grondig worden toegelicht.
“Talent aan Zet” levert zonder discussie boeiende inzichten en enkele verfrissende ideeën voor een dynamische bedrijfsorganisatie. Minpunt is dat de auteurs nogal breedvoerig te werk gaan en heel veel woorden nodig hebben om hun inzichten te verduidelijken. Waardoor ze juist het tegenovergestelde bereiken. Bovendien vertrekken ze te eenzijdig vanuit het perspectief van de echt grote bedrijven, waarmee ze hun eigen pleidooi een stuk ontkrachten, aangezien de basisideeën, mits die een ietwat andere toepassing krijgen, net zo goed kunnen gelden voor kleinere organisaties.
|
 |
 |
|
|

 |
| Waarom managers in sprookjes geloven |
|
|
|
  |
| |
 |
|
Auteur: Stef Blom |
| |
Uitgeverij: Scriptum, 2008 |
| |
ISBN: 978 90 5594587 0 |
| |
Prijs: 16,73 euro |
| |
 |
Sprookjes zijn verhalen die de werkelijkheid anders weergeven. Mensen geloven ook in sprookjes, schrijft Stef Blom. Overigens kunnen sprookjes inspirerend zijn. De auteur verwijst daarbij naar de legendarische toespraak “I have a dream...” van Martin Luther King, als maatschappelijk-historisch voorbeeld: eigenlijk verwoordde de zwarte dominee op dat moment niets anders dan een sprookje, maar hij gaf er de zwarte emancipatiebeweging wel een gigantische boost mee.
Maar sprookjes kunnen net zo goed desastreuze gevolgen hebben. Hoe dan ook is het een gegeven dat organisaties veel minder rationeel zijn dan men wil doen geloven. Vaak worden wensdromen en irrationale veronderstellingen onbewust deel van de organisatiegeschiedenis en de bedrijfscultuur.
In de bedrijfswereld hebben sprookjes vaak te maken met geld of met de tegenstelling tussen geld en de motieven van mensen. De auteur citeert enkele gemeenplaatsen die een “sprookjesachtig” karakter hebben, in de zin dat ze een eigen realiteit en logica hanteren. Enkele voorbeelden: “Deze klus kan in x maanden worden geklaard”, betekent eigenlijk dat het veel langer zal duren. Daar bestaan talloze illustraties van, onder meer van grote bouwprojecten. Het opmerkelijke daarbij is dat opdrachtgevers dat sprookje perfect kennen, maar ermee leven. “Wij zijn goed voor onze medewerkers”, is volgens de auteurs eveneens vaak een sprookje, want als puntje bij paaltje komt, moeten medewerkers wijken voor winstverhoging. Dat weet iedereen. Of nog: “Topmanagers zijn hun extreme salarissen waard”.
Dergelijke “sprookjes” komen voort uit het selectieve beeld dat mensen hebben van hun omgeving. Zo heeft een manager altijd gehoord en ervaren dat topmanagers belangrijk zijn en dat belangrijke mensen extreem veel geld verdienen. Er zijn mensen in de omgeving daarvan die dat beeld ondersteunen - collega-bestuurders, headhunters,... - omdat ze daar zelf baat bij hebben. Anders zou dat sprookje misschien nooit stand houden. Deze veronderstelling leidt er zelfs toe dat mensen die weinig geven om geld, maar mogelijk wel de capaciteiten hebben om een topmanagementfunctie waar te nemen, nooit zover zullen geraken omdat ze afwijkend gedrag vertonen. Het gaat er immers niet alleen om veel geld te verdienen, maar ook om zich daarnaar te gedragen.
Sprookjes hebben veel te maken met selectieve waarneming, deels omdat de wereld te ingewikkeld is om in alle details te worden beoordeeld en deels om de eigen problemen te verminderen. We interpreteren met andere woorden de realiteit zodat die past in ons bestaande wereldbeeld - dat leidt dikwijls tot veralgemeningen en halve waarheden. Pas als er een groot aantal waarnemingen niet in dat beeld past, zijn we bereid ons wereldbeeld te veranderen.
Macht speelt een belangrijke rol bij het ontstaan van sprookjes én bij het voortbestaan ervan. Zoals er sprookjesvertellers zijn en -luisteraars, zo zijn er ook machtigen en niet-machtigen. Samen houden ze de macht in stand. De ondergeschikte schikt zich immers gewillig naar zijn baas - waardoor hij de macht in stand houdt - en maakt zichzelf intussen wijs dat hij geen last heeft van zijn eigen onmacht. De machtigen zelf relativeren hun eigen macht en hun drang om meer macht te verwerven. Macht is toebedeeld aan weinigen, terwijl de ondergeschikten groot zijn in aantal. Dus, tenzij de macht gepaard gaat met groot geweld (een dictator met een zeer repressief militair apparaat achter zich), hoef je als ondergeschikte de macht niet te accepteren. Maar men doet dat toch, uit angst voor sancties, omdat men ervan uitgaat dat “toch iemand de baas moet zijn”, omdat men er voordeel in ziet, enz.
De auteur besteedt aan die problematiek een apart - en interessant - hoofdstuk. Hij projecteert tevens enkele bekende volkssprookjes op de context van het bedrijfsleven om aan te tonen dat we effectief (en vaak onbewust) sprookjes in stand houden.
De auteur houdt geen pleidooi om de sprookjes uit de (bedrijfs)wereld te bannen, maar zich er bewust van te zijn dat ze bestaan en invloed uitoefenen op de gang der dingen. Het komt erop aan hun spelregels te doorgronden en er rekening mee te houden.
Om sprookjes te doorbreken, is het noodzakelijk om machtspatronen te doorbreken. Een schoolvoorbeeld van een bedrijf dat “prachtige oplossingen tegen sprookjes” bedacht, is Semco, de befaamde onderneming van de Braziliaanse Richardo Semler, die de hele gangbare bedrijfslogica op zijn kop zette en een democratische organisatie uitbouwde met extreem veel inspraak, vrijheid en beslissingsmacht voor de medewerkers - en op die manier een eigen sprookje creëerde.
“Waarom managers in sprookjes geloven” is een boeiend boek dat veel minder lichtvoetig uit de hoek komt dan het laat vermoeden.
|
 |
 |
|
|

 |
| De weg van de leider - leiderschap en boeddhisme in een globaliserende wereld |
|
|
|
  |
| |
 |
|
Auteur: De Dalai Lama en Laurens van den Muyzenberg |
| |
Uitgeverij: Business Contact, 2008 |
| |
ISBN: 978 9047000846 |
| |
Prijs: 16,99 euro |
| |
 |
In “De weg van de leider” leggen de Dalai Lama en de Nederlandse internationaal werkende consultant Laurens van den Muyzenberg de link tussen de inzichten van het boeddhisme enerzijds en leiderschap en bedrijfsleven anderzijds. Beide heren hebben gedurende tien jaar onderlinge gesprekken gevoerd over kapitalisme, mondialisering, welvaart en bedrijfsleven en de manier waarop boeddhistische principes organisaties en de maatschappij in het algemeen kunnen helpen. De inzichten die uit die bijeenkomsten zijn gekomen, zijn samengebracht in een zeer samenhangend en inspirerend boek.
Wie denkt dat het boeddhisme alleen maar over onthechting gaat en het verwerven van welvaart en rijkdom dus per definitie afkeurt, zal door dit boek zelfs verrast worden. De Dalai Lama vindt rijkdom nastreven zelfs een goede zaak, weliswaar op voorwaarde dat je er niet alleen zelf beter van wordt, maar ook de samenleving als geheel. Boeddha zag armoede niet als iets dat moet worden geprezen, maar integendeel vaak als oorzaak van immoreel gedrag en misdaad.
De auteurs schuiven twee elementen naar voren die essentieel zijn voor degelijk leiderschap: de Juiste Visie en het Juiste Handelen. De Juiste Visie impliceert dat men bij besluitvorming intensief de gevolgen van beslissingen nagaat. Dat klinkt veel evidenter dan het is, want vanuit boeddhistische hoek moeten die gevolgen zeer holistisch worden benaderd.
Wie de juiste visie hanteert, onderzoekt zijn intenties en de gevolgen van zijn optreden voor zichzelf, de organisatie en de anderen. Ook zal men dan alles doen wat binnen de mogelijkheden ligt om schade aan anderen te voorkomen en hun welzijn te vergroten.
Het Juiste Handelen komt neer op ‘walk your talks’, ethisch gedrag en generositeit. Al wordt het boek een beetje oneer aangedaan door dit hier zo kort door de bocht te stellen.
Belangrijk om juiste beslissingen te nemen, is de werkelijkheid eerst volledig te begrijpen en de dingen te zien en te aanvaarden zoals ze zijn. Dat lijkt een dooddoener, maar dat is het niet: hoe vaak worden beslissingen niet mee beïnvloed door negatieve gevoelens zoals jaloezie of rancune? Wie die negatieve emoties niet onder controle heeft, zal het veel moeilijker hebben om juiste beslissingen te nemen. Daarnaast belemmert ook “wensdenken” het nemen van correcte beslissingen. Wensdenken is vrij algemeen in het bedrijfsleven en op zich ook niet fout: optimisme is noodzakelijk, een zakenman met een pessimistische visie heeft weinig kans op succes. Maar vele zakenmensen zijn vanuit de wens om succes te hebben niet meer bereid om te luisteren naar negatieve informatie. Ze hopen dat het probleem zich vanzelf oplost. Het gevolg is dat het bedrijfsmanagement heel dikwijls pas beseft dat het probleem moet worden aangepakt, als het zich al (te) sterk ontwikkeld heeft.
Een leider moet vertrouwen inboezemen, maar mag geen blind vertrouwen eisen. Bovendien, zo zegt de Dalai Lama, moet vertrouwen gecombineerd worden met wijsheid - en dat is terug te brengen tot het principe ‘de dingen zien zoals ze zijn’. Als vertrouwen op zich staat, is het ontvankelijk voor bedrog en beoordelingsfouten. Vertrouwen geeft iemand de kracht om om het even wat te doen, ook kwaad. Aan de andere kant is wijsheid zonder vertrouwen nutteloos, omdat dan de kracht om te handelen ontbreekt. Deze twee aspecten werken voortdurend samen om het doel te bereiken.
Een ander onmisbaar aspect van goed leiderschap is dat de leider het vermogen moet hebben om het doel duidelijk te formuleren en uit te leggen. Dat is moeilijker dan men denkt, maar tevens zeer belangrijk: zonder betekenisvol en realiseerbaar doel is het nagenoeg onmogelijk om een sterk moreel en de juiste motivatie in een bedrijf te realiseren.
In tegenstelling tot wat men als leek misschien verwacht, is winst in de boeddhistische traditie geen vies woord, op voorwaarde dat het geld eerlijk verdiend wordt. Winst kan echter niet het doel van het bedrijf zijn. Een dergelijke bewering is ongeveer hetzelfde als zeggen dat eten of ademen de rol van de mens is. Als een bedrijf verlies draait, kan het niet voortbestaan, net zoals je sterft zonder voedsel. Maar daarom is eten nog niet het doel van het leven. Dat leiderschap, en bedrijfsvoering in het algemeen, niet louter kan worden uitgelegd in termen van winst, schreef ook Peter Drucker ooit. Kapitalisme en boeddhisme kunnen worden geïntegreerd als kapitalisme staat voor een “verantwoordelijke vrijemarkteconomie”.
Want, besluit de Dalai Lama: “Ongelijke verdeling van rijkdom is zo oud als de beschaafde samenleving. Met de wetenschappelijke kennis, technologie en het inzicht in de mechanismen om rijkdom te genereren waarover we nu beschikken, is het beslist mogelijk om een fatsoenlijke levensstandaard voor iedereen te realiseren. Ik hoop dat de in het boek gepresenteerde ideeën veel leiders en organisaties zullen inspireren om met geduld en enthousiaste inspanning naar dit doel toe te werken.”
“De weg van de leider” is een zeer waardevol boek dat doet stil staan bij het functioneren van de (leidende) mens, het bedrijfsleven en de economische mechanismen. Tegelijkertijd blijft het met beide voeten in de realiteit en wordt het nooit hoogdravend of zweverig. De spirituele beweging die het boeddhisme is, brengt er met andere woorden de stelling die het verkondigt in de praktijk: bekijk de werkelijkheid zoals ze is.
|
 |
 |
|
|

 |
| Loopbaanzelfsturing - bezieling en vitaliteit |
|
|
|
  |
| |
 |
|
Auteur: Adriaan Hoogendijk |
| |
Uitgeverij: Business Contact, 2008 |
| |
ISBN: 978 90 4700073 0 |
| |
Prijs: 19,54 euro |
| |
 |
“Loopbaanzelfsturing” is een opmerkelijk boek, omdat het erin slaagt om vanuit een zeer reflexief en filosofisch uitgangspunt aan de lezer zeer concrete adviezen mee te geven om na te denken over zijn eigen loopbaan en die zelf te sturen.
De auteur gaat grondig in op de plaats van arbeid in het leven van een mens, maar doet evenzeer nadenken over hoe we het best omgaan met verlangens, ambities, frustraties. Hij neemt de lezer mee in vaak boeiende en vlot verteerbare reflecties. Daarnaast voegt hij bij elk hoofdstuk een reeks vragen en opdrachten, die de lezer uitnodigen om nog grondiger stil te staan bij de besproken thematiek. Hij helpt, zonder de lezer oppervlakkige en al te voorspelbare tips door de strot te duwen, om in kaart te brengen hoe iemand zijn loopbaan het best kan doen aansluiten bij wat hem fascineert.
De auteur stelt vast dat arbeid bij de Westerse mens een dubbele moraal oproept: enerzijds ontleent hij eigenwaarde, status en identiteit aan zijn werk, maar anderzijds doet hij ook vaak alsof arbeid slechts bijzaak is, of een noodzakelijk kwaad, alsof het zwaartepunt van het bestaan toch vooral in het privéleven moet worden gezocht. Dat is vreemd, aangezien arbeid alleen al qua tijd een zeer dominante rol in ons bestaan speelt. Die vaststelling vormt de aanleiding om het begrip arbeid en de functie ervan uitgebreid toe te lichten.
Het denken over arbeid heeft in de voorbije decennia een sterke evolutie doorgemaakt. Zo werd, in de tijd dat het Taylorisme hoogtij vierde, het denken en doen in arbeidscontext strikt gescheiden. Maar dat principe heeft geleidelijk plaats moeten maken voor de overtuiging dat ook in arbeidssituaties rekening moet worden gehouden met het feit dat de mens een denkend en werkend, maar bovendien ook een voelend en willend wezen is en dat dit gevolgen heeft voor zijn motivatie, inzet en gezondheid.
Stilaan is ook de gedachte gegroeid dat arbeidsmotivatie van binnenuit komt. De persoonlijk ervaren kwaliteit van de eigen arbeid krijgt steeds meer prioriteit. Werk moet niet alleen nuttig zijn, maar ook zinvol. Is dat niet het geval, dan kan dat leiden tot “existentiële” frustratie. De auteur vermeldt in dat verband de anekdote van een Amerikaanse topdiplomaat die in psychotherapie ging, maar bij wie al snel bleek dat hij geen psychisch probleem had, maar dat zijn “wil tot betekenis” werd gefrustreerd door zijn loopbaan. Hij verlangde eigenlijk naar ander werk. En die verandering leidde uiteindelijk ook tot meer tevredenheid.
Het probleem hierbij is dat de mate van nuttigheid in het algemeen min of meer objectief te benoemen is. Dat geldt echter niet voor de zin van de dingen. Die is subjectief en particulier. Elke mens is op zich een unieke zingever, zingeving is een zeer individueel gegeven.
Daarbij spelen verwachtingen en doelstellingen, verlangens, denkconstructies, normen en regels, stemming van het moment, en dergelijke. Maar veel mensen zijn, zeker in arbeidscontext, wandelende hoofden. Ze hebben zich wellicht meer geïdentificeerd met hun denken, hun kennis en inzichten. Voor een deel hebben ze het afgeleerd om op hun drijfveren te vertrouwen of om hun gevoel te volgen. Ze bedenken vooral wat ze moeten doen en wat ze niet mogen doen. Ze voelen het als een noodzaak om het leven onder controle te hebben . Maar in loopbaanzelfsturing is dat niet voldoende. Een mens heeft ook zijn oorspronkelijke vitaliteit - levenskunst - nodig om in harmonie te kunnen blijven met zichzelf.
Niet dat de auteur “leven vanuit het hoofd” afwijst, wel integendeel. Alleen is dat een te beperkte manier om naar de loopbaan en het leven in het algemeen te kijken. Vooral bij een zoveelste reorganisatie, langdurige hoge werkdruk of bij een relatieprobleem dreigt men dan zwaar uit evenwicht te gaan. De uitdaging tijdens loopbaanzelfsturing bestaat er volgens de auteur dan ook in om hoofd, hart en “buik” in harmonie te krijgen, om het centrum te vinden in zichzelf en om ook verlangens, drijfveren, idealen, inspiratiebronnen en fascinaties een belangrijke plaats te geven in het bestaan. De kunst daarbij is dat men verandert wat men niet kan accepteren en dat men accepteert wat men niet kan veranderen. Het juiste onderscheid daarin maken, levert uiteraard stof tot nadenken. De auteur zet de lezer daartoe op weg.
Hij toont doorheen het boek eigenlijk aan dat loopbaanzelfsturing erop neerkomt dat je al lerend, met vallen en opstaan, steeds meer jezelf kan en mag zijn. In die zin gaat loopbaanzelfsturing veel verder dan de eigen carrière, maar geeft het de aanzet om evenwicht te vinden met jezelf, je leven en je omgeving. Een boek dat lezers, op een ongedwongen en niet-geforceerde manier, dwingt om daarbij stil te staan, is zonder meer een waardevolle publicatie. En dat geldt wel degelijk voor “Loopbaanzelfsturing”.
|
 |
 |
|
|

 |
| Zelfmanagement in lerende organisaties |
|
|
|
  |
| |
 |
|
Auteur: J.C.M. Mensink |
| |
Uitgeverij: Kluwer, 2008 |
| |
ISBN: 978 90 4651528 0 |
| |
Prijs: 65 euro |
| |
 |
In “Zelfmanagement in lerende organisaties” wordt in eerste instantie het begrip “lerende organisatie” toegelicht en wordt stilgestaan bij de achtergronden en de kenmerken ervan. Lerende organisatie hebben de vaardigheid te reageren en te anticiperen op snel veranderende behoeften van de markt. Lerende organisaties staan voor beweeglijkheid en vernieuwingszin. Blauwdrukken, stappenplannen en actiemodellen bestaan er niet voor.
HR-management kan echter wel een belangrijke bijdrage leveren aan het verwezenlijken van de lerende organisatie. Dit is zowat de leidraad van “Zelfmanagement in lerende organisaties”.
Voorwaarde is dan wel dat HR niet beheersingsgericht is, maar ontwikkelingsgericht. HR is immers vaak gericht op het coördineren en beheersen van gedrag. HR-systemen zijn dikwijls bevoogdend en belemmeren op die manier het leren, vindt de auteur. Hij wijst daarbij terloops op het feit dat het succes van HR-management ervoor gezorgd heeft dat het aspect personeel op de agenda van het topmanagement is gekomen, maar tegelijkertijd plaatst hij enkele kanttekeningen. Zo vindt hij de wetenschappelijke waarde van de theorieën en concepten van HR laag. Bovendien loopt HR voortdurend het risico om een kille, instrumentele benadering te worden waarmee het menselijke gedrag beïnvloed wordt. Er wordt van boven naar beneden geredeneerd.
Maar zo’n aanpak staat haaks op de dynamiek van een lerende organisatie. Die vraagt een ontwikkelingsparadigma waarbij HR de ontwikkeling stimuleert en faciliteert en niet gericht is op het beheersen van gedrag. Er wordt rekening ge- houden met verschillen per individu en maatwerk is het streefdoel. De kenmerken van een ontwikkelingsgericht HR-beleid, alle deelaspecten én de praktische toepassing ervan, krijgen in het boek zeer uitgebreid aandacht.
Een ontwikkelingsgericht HR-beleid impliceert onder meer dat HR-instrumenten laagdrempelig moeten zijn en zich op de eerste plaats moeten richten op het zelfmanagement van individuen in organisaties. Lerende organisaties bestaan immers bij gratie van lerende individuen en die leren het best als ze gemotiveerd zijn, zich betrokken voelen bij de organisatie en een visie hebben op hun waarden en leven. Om die reden moet zelfmanagement sterk gestimuleerd worden in lerende organisaties. Zelfmanagement creëert immers uitdaging vanuit de bepaling van wat belangrijk is, het inspireert omdat het de energie kan richten en inzicht geeft in hoe de eigen talenten kunnen worden benut.
De kunst bij zelfmanagement bestaat erin om het zelfmanagement van de medewerkers op dezelfde lijn te krijgen met de richting die de organisatie wil uitgaan. Daarmee slaat de auteur ook een brug naar zelfsturende teams, waar hij een apart hoofdstuk aan besteedt.
Het boek is zeer systematisch opgebouwd en neemt de lezer geleidelijk mee in het denkproces richting zelfmanagement. Het geeft een interessante aanzet om na te denken over hoe een efficiënte, creatieve organisatie kan worden uitgebouwd die de mens als individu benadert en daar ook het beste weet uit te halen.
|
 |
 |
|
|

 |
| Intelligentie, what’s in a name? |
|
|
|
  |
| |
 |
|
Auteur: Ann Moreels |
| |
Uitgeverij: Kluwer, 2007 |
| |
ISBN: 978 90 4651528 0 |
| |
Prijs: 65 euro |
| |
 |
Het boek “Intelligentie, what’s in a name?” biedt nogal wat historische context over het denken rond intelligentie en zoomt onder meer in op de theorie van Darwin, het erfelijke determinisme en het sociaal darwinisme. Ook het behaviorisme en het cultureel determinisme passeren de revue.
Het meten van intelligentie leidde tot het ontwikkelen van intelligentietests en het ontstaan van IQ. In het boek wordt ook ingegaan op de betrouwbaarheid en interpretatie van dergelijke metingen. Een fervent tegenstander van het gebruik van IQ bleek Howard Gardner te zijn, die vond dat dit de mensen alleen maar stigmatiseerde. Hij ontwikkelde zelf de “multiple intelligence”, waarin hij een onderscheid maakte tussen zeven verschillende intelligenties.
Emotionele intelligentie was daar niet bij. Dat mag zowat het geesteskind genoemd worden van Daniel Goleman, want hoewel anderen eerder al een deel van de weg hadden geplaveid, heeft hij het concept verder uitgebouwd en ook brede bekendheid gegeven. Emotionele intelligentie wordt al eens als synoniem gebruikt van empathie, maar in het boek wordt verduidelijkt dat dit toch wel een te enge benadering is en worden het belang, maar ook de beperkingen ervan toegelicht.
Sociale intelligentie is eigenlijk een verdere fase in het model van emotionele intelligentie. Het bestaat uit sociaal bewustzijn (wat voelen we van anderen aan) en sociale vaardigheid (wat doen we vervolgens met dat bewustzijn). Behalve Goleman, ontwikkelde ook Karl Albrecht een model van sociale intelligentie. Ook dat wordt in het boek belicht.
Albrecht werkte tevens verder op de multiple intelligence van Gardner, wat resulteerde in de “practical intelligence”. Daarmee trachtte hij de mentale bekwaamheid om met de uitdagingen en problemen in ons leven om te gaan, vorm te geven.
Het boek besteedt voorts nog aandacht aan artificiële intelligentie, toch enigszins een buitenbeentje in de reeks. Dit hoofdstuk bestaat vooral uit een chronologische opsomming van feiten en gebeurtenissen die hebben bijgedragen tot het ontstaan en de ontwikkeling van dit intelligentieveld.
Het boek “Intelligentie, what’s in a name?” kan beschouwd worden als een beknopte samenvatting, een soort “inleiding tot” theorieën over diverse vormen van intelligentie. Veel nieuwe dingen zal men er dan ook niet aantreffen, maar wie zonder een halve bibliotheek te moeten doorworstelen een inzicht wil krijgen in cognitieve, emotionele, sociale, praktische en artificiële intelligentie, zal in dit boekje zijn gading vinden.
|
 |
 |
|
|

 |
|
  |
| |
 |
|
Auteur: Willem Verbeke, Thomas Van Els en Alexander Palmbergen |
| |
Uitgeverij: Pearson Education, 2008 |
| |
ISBN: 978 90 4301574 5 |
| |
Prijs:19,59 euro |
| |
 |
Creatief en krachtdadig
leiding geven
Het begrip leiderschap wordt vaak geassocieerd met sturen en volgen, waardoor het lijnrecht tegenover creativiteit kan staan. Maar dat hoeft niet zo te zijn. Auteurs Willem Verbeke, Thomas Van Els en Alexander Palmbergen ontwikkelden een “nieuw” type leiderschap, dat creativiteit in zich draagt en dus goed opgewassen is tegen de uitdagingen van de huidige kenniseconomie: nieuwsgierig leiderschap, meteen ook de titel van hun boek.
Door zich nieuwsgierig te gedragen, kunnen leiders heterogene kennis verzamelen, samenvoegen, combineren met hun praktijkervaring en zo zichzelf verder vormen. Leiders die op nieuwsgierigheid gebaseerde kennis ontwikkelen, handelen steeds op basis van hun eigen reflectie. Ze weven als het ware heterogene ideeën aan elkaar tot een eigen wereld. Nieuwsgierige leiders zijn pragmatisch en benaderen elk probleem vanuit zijn specificiteit. Ze volgen geen goeroes, grote theorieën, of rolmodellen. De vraag wie of wat hen het meeste inspireert, is niet aan hen besteed, aangezien alles hen in dezelfde mate kan inspireren. Ze zijn geen sociale dieren die overal het hoge woord voeren, maar kijken rond, observeren en pikken daaruit ideeën op die ze met andere inzichten combineren.
Nieuwsgierige leiders hebben immers het vermogen heterogene kennis met ervaringen te verbinden. Daardoor zijn ze in staat unieke, creatieve oplossingen te bedenken en uit te voeren. De nieuwsgierige leider zoekt ook voortdurend grenzen op, zodat hij steeds nieuwe informatie in inzichten verwerft.
Om de kern van nieuwsgierig leiderschap weer te geven, citeren de auteurs Ronald Heitzfeld, een autoriteit op het vlak van leiderschap. Hij definieert nieuwsgierig - in zijn terminologie adaptief - leiderschap: “Een leider begrijpt dat het sociale, politieke en culturele creatieve proces mede bepaald is door de menselijke verbeeldingskracht. Voorts is het weefsel van het sociale systeem samengesteld door verbeeldingskracht van elk individu evenals door de verbeeldingskracht van de groep als geheel. De capaciteit van een persoon om creatief te werken binnen de collectieve verbeeldingskracht is de essentie van nieuwsgierig leiderschap.”
De auteurs scheppen een duidelijk beeld van het type leiderschap dat volgens hen nodig is in de hedendaagse economische context, maar blazen nogal hoog van de toren door daar een hele typologie rond te ontwikkelen en die voor te stellen als een eigen “ontdekking”. Wat de auteurs in werkelijkheid beschrijven - overigens met behoorlijk veel herhalingen en overlappingen, en vaak nogal geforceerd - is in essentie niets anders dan degelijk leiderschap. Een leiderschap waarin een leerattitude ingebed zit en dat de medewerkers naar waarde schat, en rekening houdt met omgevingsfactoren en context. En dat uit al die invalshoeken en elementen een coherent en creatief beleid weet uit te stippelen.
Kilimanjaro
Over degelijk leiderschap gaat het ook in “Summit - een gids voor managers op weg naar de top”. In tegenstelling tot de auteurs van “Nieuwsgierig leiderschap” weet Buck Jüch de lezer van de eerste tot de laatste zin te boeien. De rode draad doorheen het boek is een expeditie naar de top van de Kilimanjaro in Tanzania. De auteur trekt parallellen tussen de expeditie en het bedrijfsleven en onderneemt met de lezer een reis langs zes deelgebieden die essentieel zijn voor succes in een onderneming: strategie, urgentie, mensen, middelen, indicatoren en triomfen. De eerste letters van die termen vormen samen het woord “summit”. En het is naar die top dat de auteur de lezer wil begeleiden.
Al bij de aanzet van het boek laat de auteur zijn visie op leiderschap duidelijk blijken: een leider moet ervoor zorgen dat zijn bedrijf kiest voor ambitieuze doelstellingen en dat iedereen die doelstellingen kent en volgt. Dat betekent echter niet dat de leider zelf bepaalt welke keuzes worden gemaakt. Velen beschouwen het formuleren van strategische doelstellingen als de leiderstaak bij uitstek, alsof de leider alle antwoorden op strategische vragen kent. Een dergelijke vorm van autoritair leiderschap is op lange termijn nefast voor een bedrijf.
Een gedragen strategie is veel krachtiger dan een opgelegde strategie, hoe visionair die ook moge zijn. De visie van één persoon is immers altijd tijdelijk. Een blijvende doelstelling wordt daarentegen ontwikkeld in een democratisch proces. En niet toevallig levert democratie als staatsvorm de meeste welvaart op. Een dictatoriale leider maakt immers minder intelligente keuzes dan een brede volksvertegenwoordiging. Dictatoriaal gestuurde bedrijven moeten op termijn altijd het onderspit delven. Goede leiders stellen de juiste vragen en komen tot een missie op basis van een bijna democratisch proces. Dat impliceert natuurlijk wel een sfeer waarin mensen in alle vrijheid en veiligheid hun mening kunnen geven.
Een doelstelling moet ook haalbaar en inspirerend zijn. Bovendien voorspelt een strategische doelstelling niet zozeer een exact resultaat, maar is het veel meer een bindende factor die inspireert en energie losmaakt.
Daarnaast is een zekere vorm van urgentie nodig om mensen in beweging te krijgen. Een leider moet in staat zijn in te spelen op de dingen die zij belangrijk vinden, op hun behoeften en angsten. Al mag vluchten voor angst en pijn nooit een doelstelling op zich worden. Een goed leidersfiguur vraagt mensen niet alleen naar de problemen, maar stimuleert hen ook om oplossingen te vinden. Mensen op de juiste manier stimuleren betekent betrokkenheid creëren en dat lukt niet met alleen maar financiële stimuli.
Het is evident dat betrokkenheid creëren niet mogelijk is zonder het tonen van persoonlijke betrokkenheid door de leider. Dat is voor elke manager een kernactiviteit, vindt de auteur.
Een organisatie in beweging krijgen, betekent niet noodzakelijk dat men zelf beweging moet creëren. Het komt erop aan om de aanwezige energie te vatten en in de gewenste richting te bewegen, zoals dat in gevechtsporten geleerd wordt.
Kernactiviteiten voor de organisatie liggen daar waar die organisatie geld mee verdient, schrijft de auteur. Maar meteen nuanceert hij die stelling ook: “Het is nadrukkelijk niet de bedoeling dat je zo veel mogelijk bedrijfsprocessen daaromheen lukraak gaat uitbesteden. Activiteiten die bepalend zijn voor je marktpositie mag je onder geen beding toevertrouwen aan buitenstaanders, want daarmee hol je immers het onderscheidend vermogen van je bedrijf uit. (...) Financieel directeurs hebben over het algemeen een grotere zeggenschap dan HR-directeurs. Een bizar gegeven als je bedenkt dat mensen de enigen zijn die het verschil kunnen maken voor een bedrijf. (...) Daarom mag een afdeling human resources nooit verworden tot een bedrijfsmiddel en dus ook niet worden uitbesteed. De zorg voor je mensen behoort altijd tot de kernactiviteiten van je bedrijf. De administratieve rompslomp daaromheen echter niet.”
Dat is dus een sterk pleidooi voor strategisch HR. Ook verder in het boek gaat de auteur daarop door. Hij wijst erop dat een manager in het oog moet houden dat de nettowinst van het succes altijd meer moet zijn dan de kosten van de middelen die daarvoor zijn ingezet. Deze winst hoeft echter niet altijd in geld te worden uitgedrukt. Het kan ook gaan om een verbetering in de tevredenheid van klanten of medewerkers. Zolang men maar bewijs kan aanvoeren dat bepaalde middelen het waard zijn om ingezet te worden. Dat het niet altijd eenvoudig is om zoiets tastbaar te maken, weten HR-managers maar al te goed.
Leiders en managers moeten hun medewerkers voorzien van de beste middelen en omstandigheden die hen kunnen helpen om hun doelen te bereiken. Bovendien, zegt de auteur, zit de (bedrijfs)wereld vol niet-aangeboorde middelen. Het is aan de leider om die te benutten.
Daar voegt hij nog een pittige opmerking aan toe: “Energie die wordt gestoken in controleprocessen kan niet worden gebruikt voor het creëren van toegevoegde waarde.” Verder in het boek gaat hij op die gedachte door: als men wil dat mensen geïnspireerd geraken en deze bevlogenheid gebruiken om zelf met ideeën te komen, is het niet logisch er vervolgens als manager bovenop te zitten. Dan is het vuur van de inspiratie snel gedoofd. Toch moeten processen inzichtelijk worden gemaakt. Dus wie inspiratie belangrijk vindt, zal dit element moeten meenemen in meetbare processen. Meten is dus absoluut noodzakelijk, maar moet op zeer regelmatige basis en binnen een consequente communicatie met de medewerkers over hun doelstellingen en prestaties.
En als de prestaties goed zijn, moeten ze gevierd worden. Maar ook het traject naar het succes moet aangenaam zijn. Met andere woorden: ook tussentijdse successen moeten voldoende aandacht krijgen, om de motivatie hoog te houden. Tegelijkertijd houden die tussentijdse “vieringen” het gevaar in dat de medewerkers nadien terugvallen op een versnelling lager. Daar moet de leider op voorzien zijn en klaar staan in de startblokken voor de volgende tussenstop. Het gaat er bij leidinggeven met andere woorden om om de medewerkers te stimuleren, te waarderen, en te vermijden dat ze op hun lauweren blijven rusten.
Summit - een gids voor managers op weg naar de top
Auteur: B. Jüch
Uitgeverij: Business Contact, 2008
Pagina’s: 190
ISBN: 978 90 4700069 3
Azurprijs: 19,54 euro
Nieuwsgierig leiderschap
Auteurs: Willem Verbeke, Thomas Van Els en Alexander Palmbergen
Uitgeverij: Pearson Education, 2008
Pagina’s: 116
ISBN: 978 90 4301574 5
Azurprijs: 19,59 euro
|
 |
 |
|
|

 |
| Anders Organiseren & Beter Werken |
|
|
|
  |
| |
 |
|
Auteur: Geert Van Hootegem, Pierre van Amelsvoort, Gert Vanm Beek, Rik Huys |
| |
Uitgeverij: Acco, 2008 |
| |
ISBN: 978 90 3347033 2 |
| |
Prijs: 21,45 euro |
| |
 |
Onvoorspelbaarheid als uitgangspunt
De manier waarop de arbeid op dit ogenblik georganiseerd is, brengt volgens de auteurs van “Anders Organiseren & Beter Werken” niet alleen de mogelijkheid om met goesting langer te werken in het gedrang, maar laat tevens te wensen over op het vlak van efficiëntie. Hun alternatief is om “opnieuw de logica van de processen op te zoeken, om te ontregelen en te decentraliseren.” Die beweging wordt gekaderd onder de noemer “sociale innovatie”, dat complementair is (of moet zijn) aan technologische en productinnovatie.
Sociale innovatie betekent dat men vernieuwing brengt in de wijze waarop organisaties gestructureerd zijn en (als gevolg daarvan) mensen samenwerken. In “Anders Organiseren & Beter Werken” geven de auteurs een helder en grondig beeld van hoe de arbeidsorganisatie er nu uitziet en er volgens hen zou kunnen uitzien, op welke manier men daartoe kan komen, wat de voordelen en valkuilen zijn, enz.
De auteurs plaatsen het bureaucratische organisatiemodel tegenover het flexibele organisatiemodel en behandelen de kenmerken en mogelijkheden ervan. Dat ze het flexibele model naar voren schuiven als meest geschikt om in de huidige sociaaleconomische context sterk te staan, laat zich raden. Het bureaucratische model besteedt vooral aandacht aan interne efficiëntiebeheersing van de afzonderlijke taken. Er is een gefractioneerde structuur die veel regels, procedures vergt en een grote mate van formalisering. Vaak zijn veel leidinggevende en staffuncties het onvermijdelijke gevolg. De basisveronderstelling is dat zowel de omgeving als de interne bedrijfsvoering voorspelbaar, beheersbaar, en controleerbaar is - wat impliceert dat men er tevens van uitgaat dat mensen programmeerbaar zijn, wordt daar in het boek fijntjes aan toegevoegd.
De auteurs gaan echter niet voorbij aan het feit dat het bureaucratische model zeer succesvol is geweest en grote productiviteitsverbeteringen heeft teweeggebracht. Maar het model is niet meer aangepast aan de veranderde en complexere omgevingsfactoren. De medewerkers komen in het bureaucratische systeem in een “specialisatiefuik” terecht: ze zijn zeer deskundig in een eng werkgebied, maar dat heeft repercussies op hun inzetbaarheid en hun creativiteit. Het leidt dikwijls ook tot hokjesdenken: werknemers weten nauwelijks nog wat ander afdelingen precies doen en hoe ze werken.
Het zijn echter precies creativiteit en een innovatiegeest die nodig zijn om in een gemondialiseerde economie, een chronisch krappe arbeidsmarkt en een vergrijzende maatschappij als on- derneming gezond en dynamisch te blijven. Dus moeten we naar een flexibel organisatiemodel, vinden de auteurs. In dat model worden de taken en processen niet, zoals het geval is in het bureaucratische model, als afzonderlijke deeltjes beschouwd. Een flexibele organisatie is procesgericht. Dat betekent dat het complete proces waarin een klantenvraag wordt omgezet in een antwoord, dienst of product, zoveel mogelijk organisatorisch bij elkaar wordt gehouden. In een flexibele organisatie worden teams van gemengde samenstelling, waarin alle vereiste vaardigheden zijn gebundeld, gekoppeld aan complete processen. Dat opent de weg naar decen- tralisatie en maakt het mogelijk om flexibel in te spelen op omgevingsveranderingen en/of gewijzigde wensen van klanten. De flexibele organisatie vertrekt van de onvoorspelbaarheid van de omgeving en van de idee dat beheersing alleen mogelijk is binnen open structuren waar een groot beroep wordt gedaan op zelfsturing.
Kwaliteit van de arbeid
In die zin zijn flexibele organisaties beter gewapend om de complexe, snel veranderende en veel minder eenduidige economische context van de 21ste eeuw aan te kunnen. Bovendien draagt die manier van werken volgens de auteurs ook bij tot de kwaliteit van de arbeid. En dat is evenzeer een cruciaal element. Want dat we langer zullen moeten werken, is een adagium dat stilaan afgezaagd begint te klinken. Niettemin blijft het wachten op concrete antwoorden op hoe we dat dan maatschappelijk en praktisch, op de werkvloer, zullen organiseren. Langer werken betekent in vele gevallen ook anders werken, de arbeid anders organiseren, zodat het plezier in het werk langer aanhoudt en de individuele werknemer bijgevolg ook langer rendeert voor het bedrijf. De link met een flexibeler arbeidsorganisatie is meteen gemaakt.
Vraag is natuurlijk hoe die kwaliteit moet worden gedefinieerd. Arbeidskwaliteit afhankelijk maken van de mening van elke individuele werknemer, brengt immers weinig zoden aan de dijk. Er is dus nood aan een meer objectieve maatstaf om op basis daarvan een beleid uit te stippelen dat de kwaliteit kan verbeteren. Die objectieve maatstaven hebben betrekking op arbeidsinhoud, -omstandigheden, -voorwaarden en -verhoudingen. In het boek worden die uitgebreid toegelicht.
Arbeidsinhoud verwijst naar de soort taken die men moet uitvoeren. In die context is het van belang de stressrisico’s te minimaliseren en de leermogelijkheden te maximaliseren. Daarnaast moet de werknemer regelmogelijkheden krijgen, hij moet zelf problemen kunnen aanpakken. Het is immers niet het wegwerken van moeilijkheden dat stress veroorzaakt, maar daar niet de mogelijkheid toe krijgen. Bovendien vormt het zelf kunnen oplossen van problemen de basis van het verhogen van de leermogelijkheden.
Daarnaast is het ook belangrijk dat een functie uit een volwaardig takenpakket, een logisch samenhangend geheel, bestaat. Dat zorgt immers voor geestelijke en lichamelijke afwisseling, wat het stressrisico vermindert. Naast afwisseling blijken ook voldoende autonomie en voldoende organiserende taken belangrijke elementen. Arbeidsinhoud verbeteren kan onder meer door taakroulatie en taakverbreding, door het instellen van werkoverleg (dat het meedenken en meebeslissen bevordert en de organiserende taken doet toenemen). De arbeidinhoud kan tevens worden verbeterd door de arbeidsorganisatie te vernieuwen.
Hier knopen de auteurs opnieuw aan bij de flexibele arbeidsorganisatie en komen ze tot de kern van arbeidsinnovatie: de traditionele manier van arbeidsdeling, gericht op specialisatie in de taken, wordt omgegooid. Die klassieke arbeidsdeling beperkt volgens de auteurs immers de mogelijkheden om de kwaliteit van de arbeidsinhoud te verbeteren. Om de kwaliteit van de arbeid effectief te verbeteren, moet het productieproces dus anders worden georganiseerd. Daarbij wordt aan groepen van werknemers een afgerond geheel van bewerkingen toebedeeld. In de industrie spreekt men in dat geval vaak van zelfstandige teams, waarbinnen een groep van werknemers een samenhangend geheel van voorbereidende, uitvoerende, ondersteunende en organiserende taken op zich neemt. Daardoor ontstaan binnen de groep volledige functies en worden het kortcyclische werk en de moeilijke taken onderling verdeeld en afgewisseld. Er is bovendien autonomie om problemen op te lossen. De auteurs beseffen dat een dergelijke organisatiestructuur in vele bedrijven een zeer drastische ingreep betekent, die met omzichtigheid, doorzicht en geduld moet worden doorgevoerd.
Mede daarom gaan ze verder in het boek dieper in op het proces van verandering. Ze leggen sterk de nadruk op dat procesmatige: dikwijls wordt een veranderingsbeweging immers als een project benaderd, met een duidelijk begin- en eindpunt. Maar zo werkt het dus niet, stellen de auteurs.
Ze bekijken veranderen vanuit de invalshoek om andere samenwerkingsvormen te ontwikkelen en te realiseren, met het oog op concurrentieverbetering, het verhogen van het veranderingsvermogen en het opkrikken van de betrokkenheid. De auteurs wijzen erop dat het in beweging brengen van organisaties in de gewenste richting een proces is dat niet in detail vooraf kan worden gepland - daarmee wijken ze af van vele consultants die maar al te graag willen laten geloven dat veranderingsprocessen in het keurslijf van modellen en systemen kan worden gegoten. Men kan enkele hoofdlijnen vastleggen, maar tijdens het proces zullen voortdurend bijsturingen nodig zijn. Veranderen is immers veel meer dan een technisch proces: er komen zeer veel emotionele, politieke en culturele elementen bij kijken.
In het boek worden de verschillende fases van een veranderingsproces uit de doeken gedaan. Niet aan de hand van een model - want “een model voor een veranderingsprogramma is nooit meer en ook nooit minder dan een hulpmiddel” - maar door de aandachtspunten en kenmerken van elke fase te verduidelijken. In het boek worden vier fases - benoemd als belichten, richten, inrichten en verrichten - onderscheiden en uitgebreid toegelicht.
“Anders Organiseren & Beter Werken” slaagt erin inzicht te bieden over organisatiemodellen en het belang daarvan voor zowel de competitiviteit van de onderneming als voor de inzetbaarheid en arbeidskwaliteit van de werknemer. Het betoog is overzichtelijk en grondig. De auteurs laten geen twijfel bestaan over hun overtuigingen, maar nergens zijn ze drammerig of duwen ze de lezer hun visie als alleenzaligmakende oplossing door de strot. En dat maakt hen des te geloofwaardiger.
Trilogie
“Anders Organiseren en Beter Werken” is de hoofdbrok van een trilogie rond innovatieve arbeidsorganisatie, waarbij de ervaringen uit het Flanders Synergy-project zijn gebundeld en verdiept. De Flanders Synergy-taskforce “Innovatie in werk en organisatie” ging in het najaar van 2006 van start in een samenwerkingsverband tussen de Vlaamse minister van Werk Frank Vandenbroucke, het Europees Sociaal Fonds, de academische wereld en het bedrijfsleven. Op 15 april werd het initiatief afgerond in het Vlaams parlement. Intussen krijgt het wel een vervolg met zestien nieuw goedgekeurde projecten.
“Woorden wekken, voorbeelden strekken” is het tweede deel van de trilogie en omvat de voorstelling van elk van de twaalf projecten omtrent sociale innovatie die zijn opgestart in evenveel bedrijven, en vaak niet de minste: Roularta, ArcelorMittal Gent, Bosch Tienen, Philips Turnhout. Maar ook kleinere ondernemingen en social profitorganisaties werden bij de taskforce betrokken: vzw De Oesterbank in Oostende, tandtechnisch labo Camerlynck, Kringwinkel Midden West-Vlaanderen, Beschutte Werkplaats Klein-Brabant. Een aantal daarvan werden eerder al in HRMagazine uitgebreid belicht.
De diverse projecten worden grondig geanalyseerd en daarbij worden ook de valkuilen en minpunten niet uit de weg gegaan. In die zin is “Woorden wekken, voorbeelden strekken” een waardevol werkstuk voor bedrijven die willen sleutelen aan hun organisatiestructuur en hun manier van werken tegen het licht willen houden.
Het derde deel van de trilogie, “In het land van Flanders Synergy” schetst de context van de taskforce, het hoe en het waarom, de context en het verloop van het proces en sluit af met een beleidsadvies inzake innovatieve arbeidsorganisatie.
Anders Organiseren & Beter Werken
Auteurs: Geert Van Hootegem, Pierre van Amelsvoort, Gert Vanm Beek, Rik Huys
Uitgeverij: Acco, 2008
Pagina’s: 204
ISBN: 978 90 3347033 2
Azurprijs: 21,45 euro
Woorden wekken, voorbeelden strekken
Auteurs: Geert Van Hootegem, Gert Van Beek (red.)
Uitgeverij: Acco, 2008
Pagina’s: 120
ISBN: 978 90 3347043 1
Azurprijs: 17,80 euro
In het land van Flanders Synergie
Auteurs: Geert Van Hootegem, Rik Huys, Gert Van Beek, Ellen Beens
Uitgeverij: Acco, 2008
Pagina’s: 52
ISBN: 978 90 3347044 8
Azurprijs: 12 euro
|
 |
 |
|
|

 |
| Het einde van management zoals wij het kennen |
|
|
|
  |
| |
 |
|
Auteur: Gary Hamel & Bill Breen |
| |
Uitgeverij: Business Contact, 2008 |
| |
ISBN: 978 90 470 0077 8 |
| |
Prijs: 32,29 euro |
| |
 |
De blinde vlek van organisatievernieuwing
“Het einde van management zoals wij het kennen” samenvatten op één bladzijde is het boek eigenlijk geweld aan doen. De rijke en inspirerende inhoud laat zich immers moeilijk vangen in zo’n beperkte ruimte. Gary Hamel, strategie-expert, toont in het boek aan dat het huidige managementmodel verouderd is en beter plaats maakt voor een andere manier van management die beter past bij de hedendaagse, in grote mate technologisch gestuurde kenniseconomie. De focus op controle en efficiëntie moet worden vervangen door management op basis van vertrouwen, open informatiedeling en ruimte voor experiment en creativiteit.
Niet dat Hamel meesmuilend doet over het “oude” management. Hij schetst in het boek de historische en economische context waarbinnen bepaalden managementideeën en -praktijken zijn ontstaan en tot bloei gekomen. Het moderne management heeft immers heel wat problemen opgelost. Maar die succesvolle “managementmachinerie” van de voorbije decennia heeft ook een keerzijde: het legt normen en regels op, die het initiatief van de creativiteit van vrije en eigenzinnige geesten vaak in een keurslijf wringt. Management zorgt voor discipline en gestroomlijnd werken, maar brengt tevens het aanpassingsvermogen van de organisatie in gevaar, vindt Gary Hamel.
De auteur stelt vast dat, hoewel Max Weber al negentig jaar dood is, de principes die hij huldigde in zijn loflied op de bureaucratie - controle, stabiliteit, discipline en betrouwbaarheid - nog altijd de deugden van modern management zijn. Men zal weliswaar de afstompende effecten wat wegwerken, maar een echt alternatief kunnen de meeste managers zich niet meteen voorstellen. “Men werkt nog steeds in Taylorachtige vraagstukken en doen dit in Weberachtige organisaties”, vat Hamel samen.
Nochtans beweert elke ceo vandaag vernieuwing hoog in het vaandel te voeren. Maar managementvernieuwing blijkt daarin een blinde vlek. Dat heeft deels te maken met het feit dat van managers niet meteen verwacht wordt dat ze vernieuwers zijn, maar wel dat ze ideeën van anderen omzetten in winst en groei. De meeste managers zien zichzelf als pragmatische doeners, niet als zweverige dromers. Ze zijn ook opgeleid om te managen, met andere woorden, om aan supervisie, controle en beheer te doen. Toch kan het anders en wat Gary Hamel betreft, moet het ook anders.
Eén van de knelpunten die managementvernieuwing in de weg staan, is de diepgewortelde opvatting dat weinig mensen echt creatief zijn en dat ze niet overweg kunnen met complexe operationele problemen. Toch blijkt volgens Hamel in de praktijk dat vernieuwing altijd uit onverwachte hoek komt. Maar op de werkvloer krijgen werknemers zelden de tijd en de middelen om hun creativiteit te ontplooien. Hamel verwijst uitgebreid naar Toyota als één van de eerste bedrijven dat de probleemoplossende vaardigheden van zijn werknemers wist te kanaliseren.
De auteur portretteert daarnaast Bill Gore van W.L. Gore & Associates, die vertrok van een reeks managementprincipes die in veel opzichten lijnrecht indruisten tegen gangbare zakelijke opvattingen en - bijvoorbeeld - een organisatie uitbouwt waar geen rangen of titels waren. Medewerkers leggen er verantwoording af aan hun teams, niet aan hun baas. Eén van de lessen die uit het Gore-verhaal kunnen worden getrokken, is dat managementvernieuwing een herverdeling van de macht impliceert, wat dus vaak heel gevoelig ligt.
Een ander bedrijf dat Hamel als typevoorbeeld van innovatief management naar voren schuift, is Google, een organisatie met een zeer platte structuur. Het managementsysteem van Google is volgens Hamel het eerste dat is opgebouwd rond webcentrische principes.
Maar misschien wel het meest excentrieke bedrijf ter wereld op het vlak van organisatie, is Semco, het concern van de Braziliaanse Richardo Semler. Semco werkt op een vrij anarchistische basis: er is geen officiële structuur, geen bedrijfsplan, geen expliciet geformuleerde doelstellingen, geen organigram. Centraal in het beleid van Semler staat het geloof in de mensen, het vertrouwen in de zelfregulerende houding van elk individu en elk team.
Verder in het boek worden enkele uitdagingen en probleemstellingen uitgewerkt waarmee men kan worden geconfronteerd bij het doorvoeren van een managementvernieuwing. Managementvernieuwing houdt onder meer in dat men “een democratie van ideeën” moet creëren, de menselijke fantasie moet versterken, de toewijzing van middelen moet dynamiseren, de collectieve kennis bundelen, enz.
Hamel geeft in zijn boek een meeslepende en sterk gedocumenteerde visie mee die blijft nazinderen. Daarenboven blijft hij niet in het abstracte hangen, maar weet hij zijn opvattingen over managementvernieuwing ook dicht bij de praktijk te brengen. Dit boek is een must voor iedereen die zich een manager in de 21ste eeuw durft te noemen. HR
|
 |
 |
|
|

 |
|
  |
| |
 |
|
Auteur: Voca |
| |
Uitgeverij: Lannoo, 2007 |
| |
ISBN: 978 90 20976427 |
| |
Prijs: 18,59 euro |
| |
 |
Voorwaarden scheppen voor krachtige teams
“Kracht van een team” is uitgegeven onder de vleugels van Voca Training & Consult, dat zich voornamelijk richt naar de Vlaamse welzijns- en gezondheidssector. Het boek is dan ook op de eerste plaats naar die sector gericht. Een kwalitatieve dienstverlening heeft veel te maken met het efficiënt investeren in teams. Een team zorgt immers voor de vereiste afstemming tussen de verschillende professionals om tot een kwaliteitsvol aanbod te komen voor de meest uiteenlopende en vaak complexe zorg- en hulpverleningsvragen. Dat neemt niet weg dat de inhoud van het boek in zeer grote mate kan worden geprojecteerd op het bedrijfsleven.
In het boek wordt getracht om de elementen die bijdragen tot “teamkracht” te detecteren en te analyseren. Daarbij wordt, naast degelijke theoretische omkadering, heel veel gebruik gemaakt van uitgewerkte oefen- en vormingssessies, rollenspelen en dergelijke.
Het boek start met een reflectie op wat samenwerking inhoudt. Zo’n visie op teamwerk is volgens de auteurs immers noodzakelijk om tot een efficiënt team te komen. Aan de hand van enkele concrete situaties wordt een visie op samenwerking opgebouwd. Tijd vrijmaken om binnen een team zo’n visie te ontwikkelen, is noodzakelijk om de socialisatie van nieuwe medewerkers niet aan het toeval over te laten. Die krijgen dan immers van meet af aan een visie op samenwerking mee waarin ze niet alleen begeleid zullen worden, maar ook na verloop van tijd op geëvalueerd.
Uiteraard speelt teamleiderschap een cruciale rol in het functioneren van een team. Ook daar wordt in het boek een apart hoofdstuk aan besteed. Teamwerk maak je immers niet door een structuur op te bouwen die daarop gebaseerd is. Beter is ervan uit te gaan dat een team “te ontwikkelen” is. Het ontwikkelingsproces moet van binnenuit komen, op basis van een degelijke dialoog en een gezamenlijke reflectie van de teamleden. En de opdracht van de teambegeleider mag hierin uiteraard niet onderschat worden. Een teamleider of een coach moet de teamleden zover krijgen dat ze zelf gemotiveerd zijn om te veranderen. “Moeten” wordt op die manier “willen”.
De auteurs behandelen tevens de verschillende fasen van de “groepsdynamische processen” en werken een model voor teambuilding uit.
Een andere essentiële bouwsteen in de goede werking van een team is dat conflictvaardigheid van elk teamlid. Die competentie geeft aan dat teamleden effectief kunnen omgaan met hun eigen overtuigingen en emoties bij conflicten en tegelijkertijd ook oog en oor hebben voor de emoties en argumenten van anderen. Conflictvaardigheid impliceert diverse andere competenties als zelfbeheersing, durf en moed, zelfmanagement, ontwikkelingsbereidheid, resultaatsgericht handelen, en dergelijke. In het boek worden al die aspecten toegelicht.
“Kracht van een team” slaagt erin om de platgetreden paden van literatuur over teamwerk te vermijden en degelijke beschouwingen te koppelen aan praktische opdrachten.
|
 |
 |
|
|

 |
| We can work it out - Inspireer uw team met The Beatles |
|
|
|
  |
| |
 |
|
Auteur: Erik Van Vooren |
| |
Uitgeverij: Lannoo, 2007 |
| |
ISBN: 978 907744202 9 |
| |
Prijs: 17,66 euro |
| |
 |
Teambuilding met The Beatles
Het mag ook eens luchtig zijn, moet Erik Van Vooren gedacht hebben, en hij gebruikte zijn interesse in en kennis van The Beatles om een boek over teamwerk te schrijven. Het verhaal van de misschien wel meest legendarische popgroep aller tijden biedt dan ook een boeiend, geestig, maar ook leerrijk kader inzake inspirerend teamwerk. De geschiedenis van The Beatles dient met andere woorden als randverhaal om de principes over teambuilding op een speelse en aanschouwelijke wijze te illustreren. Het speelse element is in het boek trouwens vrij nadrukkelijk aanwezig. “We can work it out” is dan ook geen boek dat de problematiek van teamwerk en teambuilding ten gronde uitvlooit, maar in al zijn lichtvoetigheid toch gevat enkele elementaire principes weet uit te tekenen.
Dat The Beatles als het team bij uitstek beschouwd worden, heeft natuurlijk in grote mate te maken met hun gigantische succes. Maar dat succes kwam natuurlijk niet uit de lucht vallen. The Beatles bleken namelijk een zeer complementair team, zowel in hun professionele als in hun sociale talenten. Beide elementen, professionele of vaktechnische deskundigheid en sociale vaardigheden, zoals het talent om in team samen te werken, zijn belangrijk en moeten in een gebalanceerde mix binnen een team aanwezig zijn. In dat verband bouwde de filosoof Ken Wilber een model uit op twee assen: enerzijds de as “binnenkant” (gedachten en waarden) en tegenover “buitenkant” (gedrag, acties) en anderzijds de as “wij” (collectief) versus “ik” (individueel). Als deze verschillende sociale stijlen evenwichtig aanwezig zijn, verkrijg je een sterk team.
Bij The Beatles bleek dat het geval. George Harrison situeert zich in het Wilbermodel linksboven (binnenkant/individueel), wegens zijn vrij gesloten per- soonlijkheid en zijn interesse in Oosterse spiritualiteit. Linksonder (binnenkant/ collectief) bevindt zich John Lennon, omdat zijn rebelse visie en denkstijl sterk maatschappijkritisch was. Lennon was lange tijd de leider van de band - hoewel Paul McCartney die rol later steeds meer begon over te nemen. McCartney situeert zich in het model rechts onderaan (gedrag/collectief). Zijn inbreng was immers vooral gericht op de organisatie van de samenwerking en de resultaten van de groep. Drummer Ringo Starr staat rechts bovenaan in het model (gedrag/individueel): hij is het voorbeeld van de pragmatische, noeste werker die zonder veel poeha uitvoert wat van hem verwacht wordt.
Auteur Van Vooren ontwikkelde aan de hand van de naam The Beatles tevens een acroniem om de principes van teamwerk te verduidelijken: Talent mix, Heading (inzet voor gemeenschappelijke doelen), Enthusiasm, Belief (geloof in elkaar en in de opdracht), Excellent Execution (aandacht voor een perfecte uitvoering), Accountability (zich individueel en gezamenlijk verantwoordelijk voelen), Trust (groot wederzijds vertrouwen), Leadership (aansturing door een inspirerend leider), Evolution (flexibel zijn om te groeien), Stress (onder druk elkaar blijven steunen en bemoedigen). De eerste letters van die principes vormen samen The Beatles en zijn de basis van een fris en luchtig boekje
|
 |
 |
|
|

 |
| Arbeid, zorg en vrije tijd in Nederland en Vlaanderen |
|
|
|
  |
| |
 |
|
Auteur: Koen van Eijck & Hugo van der Poel (red.) |
| |
Uitgeverij: Acco, 2008 |
| |
ISBN: 978 90 334 6662 5 |
| |
Prijs: 39,5 euro |
| |
 |
Een stug elastiek
“Arbeid, zorg en vrije tijd” brengt enkele vooraanstaande onderzoekers uit Nederland en Vlaanderen op het domein van arbeid en vrije tijd samen. Het boek gaat in op ontwikkelingen in de tijdsbesteding op beide vlakken.
Er wordt al jaren gesproken over de evolutie naar een 24-uurseconomie. Maar zet die ontwikkeling zich echt door, of komt er ook veel perceptie bij kijken? In het boek focussen enkele academici, stevig gedocumenteerd met uitgebreide onderzoeksgegevens, op dat uitgangspunt. Voorts besteedt men ook aandacht aan de vraag of loopbaanambities combineerbaar zijn met de zorg voor het gezin, aan de vrijetijdsbesteding van jongeren tegenover die van ouderen, van allochtonen tegenover die van autochtonen, enz.
Op die manier wordt arbeid en arbeidsorganisatie in een bredere maatschappelijke context geplaatst, en verschaft het boek inzichten die nuttig en zinvol zijn voor HR-managers en bedrijfsleiders.
De trend naar arbeidsflexibilisering mag dan al algemeen aanvaard zijn, toch zijn er weinig harde gegevens die deze evolutie bevestigen. Een studie van (vaak fragmentair) datamateriaal getuigt niet direct van een 24-uurssamenleving. De collectieve traditionele werkuren tussen acht uur ‘s morgens en vijf uur ‘s avonds vieren nog altijd hoogtij. Al moet daar meteen de nuance aan toegevoegd worden dat dit niet noodzakelijk betekent dat de meeste werkenden nooit op afwijkende tijden werken. Tijdsbestedingsdata tonen aan dat in 1999 85,1 procent van het werk uitgevoerd werd op “normale” werkuren. In 2004 was hierin nauwelijks verandering te merken, behalve dat het werk op zaterdag lichtjes gestegen is terwijl het avondwerk significant afnam.
Algemeen lijken mensen die een zwakkere positie innemen op de arbeidsmarkt (jongeren), diegenen voor wie arbeid traditioneel tot de centrale rollen behoort (mannen en zelfstandigen) en diegenen met een minder eisend familieleven (geen partner) vaker op afwijkende tijden werken dan anderen.
Afwijkende arbeidstijden moeten in samenhang gezien worden met de manier waarop de tijd in een samenleving wordt georganiseerd - die bevat immers nogal wat vaste ritmes: op een doordeweekse dag gaat men naar school of naar het werk, in het weekend organiseert men zijn vrijetijdsbesteding. Bovendien brengen mensen structuur aan in hun tijdsorganisatie uit overwegingen van zingeving, lezen we elders in het boek. Structuur blijkt immers onontbeerlijk voor psychisch welbevinden. In een citaat van VUB-prof Mark Elchardus wordt hierbij verwezen naar de betekenis van “de zondag”: “Het collectieve karakter van de vrije dag onderstreept de specifieke betekenis van de zondag als en dag van samenzijn, vrije tijd, rust en ontspanning. Het geeft reliëf aan de week, markeert de maandag als en nieuw begin en behoedt ons voor een vervlakte beleving van de tijd.”
In een andere bijdrage houden Mark Elchardus en Wendy Smits verschillende loopbaanperspectieven en -modellen tegen het licht. Ze onderscheiden vier loopbaanmodellen, waarbij ze rekening houden met de houding tegenover flexi- biliteit en de ambitie. Eén daarvan - 28 procent van de respondenten - groepeert een ambitieuze groep die zich in de houding tegenover werk laat kenmerken door een sterk streven naar zelfverwezenlijking. Als dit loopbaanmodel echter wordt geconfronteerd met werkervaring en gezinsleven, verliest het snel aanhang. Het model heeft betrekking op de helft van de jonge mannen met weinig ervaring en een derde van weinig ervaren jonge vrouwen. Een eerste confrontatie met de arbeidswereld doet doorgaans de aanhang van dit model vlug slinken. Tegenover dit model staat de ambitieuze, lineaire en stabiele loopbaan, die stijgt in aanhang zodra werkervaring wordt opgedaan. In het eerste model wordt een discours van vrijheid en autonomie beloofd, de kiezende mens staat zelf centraal. Dat maakt het aantrekkelijk bij jonge mensen die nog geen ervaring hebben in het arbeidsleven. Naarmate de ervaring toeneemt, neemt de aanhang voor dat model af.
De conclusie van de auteurs is dan ook dat de relatie tussen deregulering, zelfverwezenlijking en flexibiliteit niet bestand is tegen ervaring. Die bevinding houden HR-managers het best in het achterhoofd bij de uitbouw van hun personeelsbeleid. Net zoals men beter niet uit het oog verliest dat het collectieve arbeidsritme fungeert “als een stug elastiek”, zoals Koen Breedveld in zijn bijdrage schetst: er wordt aan alle kanten aan getrokken maar het geeft slechts mondjesmaat mee en maakt geen aanstalten om door te schieten. Iedere samenleving heeft een eigen ordening van tijd die in grote mate bestand is tegen de eventuele druk van de 24-uurseconomie.
|
 |
 |
|
|

 |
| Structuur doorzien - over ontwerp van organisatiestructuren |
|
|
|
  |
| |
 |
|
Auteur: Doede Keuning, Matthijs Wolters |
| |
Uitgeverij: Pearson Education, 2007 |
| |
ISBN: 978 90 4301443 4 |
| |
Prijs: 56,99 euro |
| |
 |
Organisatiestructuur is niet hetzelfde als organisatieschema
Hét ultieme boek over organisatiestructuren bestaat natuurlijk niet, maar “Structuur doorzien” van Doede Keuning en Matthijs Wolters komt toch aardig in de buurt. Deze turf van zo’n 640 bladzijden biedt immers een zeer uitgebreid overzicht van alle mogelijke theorieën en thema’s in verband met organisatiestructuur en -ontwerp. Ondanks die overvloed aan informatie - het is onbegonnen werk om in deze ruimte een volledig zicht te geven op de inhoud - is het boek allerminst een onoverzichtelijk kluwen van opeengestapelde theorieën en modellen, maar een zeer leesbaar geheel van vakliteratuur, ontwerpregels, praktijkverwijzingen en visie. De auteurs - beiden zijn verbonden aan de Vrije Universiteit van Amsterdam en gespecialiseerd in organisatieproblematiek - doen veel meer dan een inventaris maken: ze geven inzichten mee en laten geregeld een kritische noot horen.
Ze belichten structuurdenken vanuit drie invalshoeken: de interne organisatie, de externe samenwerking en vanuit de klant - waarmee ze dus aangeven dat de klant de bestaansbron van organisatie(structuren) kan zijn.
Van meet af aan maken de auteurs duidelijk hoe een “organisatiestructuur” moet worden opgevat: het is een ingewikkeld afsprakenstelsel dat tot stand moet worden gebracht. Het structureringsvraagstuk mag zich dus niet beperken tot een “plaatsjesdiscussie” en het over tafel schuiven van een organisatieschema om daarbij vervolgens te beweren dat dit de nieuwe organisatiestructuur is. Te vaak heeft men te veel oog voor hokjes en lijntjes. Waar dat het geval is, werkt een nieuwe organisatiestructuur niet, zeggen de auteurs onomwonden. Ze komen daar in hun boek enkele keren op terug en benadrukken telkens dat het hier om een jammerlijke misvatting gaat: organisatiestructuur is niet zomaar hetzelfde als organisatieschema.
Ze hekelen ook de hypegevoeligheid in het management: al te vaak worden nieuwe methodes ingevoerd zonder dat de vraag wordt gesteld onder welke condities en omstandigheden die nieuwe modellen het meest succesvol kunnen worden toegepast - of juist niet. Op die manier wordt een organisatie een vrijplaats om met managementmethoden en technieken te spelen en verandering om de verandering te bewerkstelligen.
Maar hoe dan ook moet een bedrijf zich kunnen aanpassen aan de zich wijzigende economische situatie. Als dat lukt en het bedrijf groeit, dan heeft dit implicaties op de organisatie en de structuur van die onderneming. De auteurs ontleden dat veranderingsproces minutieus. Verder in het boek gaan ze onder meer dieper in op de problematiek van centralisatie en decentralisatie, met onder meer aandacht voor offshoring en shared service centers, telkens vanuit het perspectief van de organisatiestructuur.
Het ontwerpen van een organisatiestructuur bestaat uit het tot stand brengen van interne arbeidsverdeling, het toewijzen van beslissingsbevoegdheden en het inbouwen van coördinatievoorzieningen tussen het werk van mensen en machines. Parallel met de opbouw van een organisatiestructuur moeten informatiesystemen worden ontworpen die inzicht geven in de indeling van de werkzaamheden in functie en taken, het vaststellen van beslissingsbevoegdheden en het aangeven van onderlinge relaties en het ontwerpen van de communicatie- en overlegstructuur. De structuur moet bovendien zo zijn dat de voortgang van de deelprocessen die de strategie van de organisatie moeten realiseren, zo goed mogelijk worden bevorderd. Dit alles vorm geven, vergt kennis van zaken, doordachtheid en veel inzicht. En de auteurs van “Structuur doorzien” laten weinig aan het toeval over die zaken aan de lezer door te geven.
Maar met een goede basisstructuur alleen kom je er niet altijd. Daarom bespreken de auteurs ook enkele “structuurvarianten” die doorgaans niet zelfstandig bestaan, maar een variant vormen op de basisstructuur. Het boek belicht in die context de projectorganisatie, de matrixorganisatie en de procesorganisatie. Dat doen ze op een zeer diepgaande en theoretische manier, maar nooit geraakt hun betoog in het ijle en abstracte verzeild. Dat is overigens ook de rode draad doorheen het boek: ondanks het feit dat het werk een encyclopedische waarde heeft in het vakdomein dat wordt behandeld, blijft het helder, overzichtelijk en zeer bruikbaar. HR-managers die au sérieux genomen willen worden, houden dit boek maar beter bij de hand. Om het te lezen en er geregeld naar terug te grijpen, wel te verstaan, niet om er indruk mee te maken.
|
 |
 |
|
|

 |
| Engagement en ondernemen - gesprekken met bedrijfsleiders en managers |
|
|
|
  |
| |
 |
|
Auteur: Jan Glorieux |
| |
Uitgeverij: VKW |
| |
ISBN: |
| |
Prijs: 15 euro |
| |
 |
Een andere kijk op ondernemen
|  |
 |
|
|

 |
| Wie durft de afdeling communicatie op te heffen? |
|
|
|
  |
| |
 |
|
Auteur: Brigitta Van Loon |
| |
Uitgeverij: Pearson Education, 2008 |
| |
ISBN: 978 90 4301021 4 |
| |
Prijs: 24,95 euro |
| |
 |
Communicatie is een spin
Communicatie wordt vaak gezien als het speeltje van baas en management. Ze bedenken iets en vervolgens mag de dienst communicatie het verspreiden. De bestaansreden van vele communicatieafdelingen is het creëren van een mistlaag tussen het management en de organisatie. Vaak is communicatie in een organisatie niet meer dan uiterlijk vertoon dat de eer hoog moet houden. Het gaat bijna nooit over gevoel en beleving, terwijl het daar volgens Brigitta Van Loon, auteur van “Wie durft de afdeling communicatie op te heffen?”, zou moeten om gaan.
Communicatie gaat er volgens haar over hoe we met elkaar omgaan - bewust en onbewust - maar ook hoe we met elkaar praten en gedragselementen overbrengen.
Haar boek gaat dan ook over veel meer dan over het goed doen functioneren van een communicatiedienst in een bedrijf. Dat is wel het vertrek- en eindpunt waarrond de auteur een veel bredere en veeleer filosofische omkadering omtrent het begrip communicatie opbouwt.
Dat maakt dat ze een zeer lange aanloop neemt, onder meer via filosofen als Plato en Sartre, om tot de kern van haar discours te komen. Vaak is meer dan een woord nodig om echt met elkaar in contact te komen en te begrijpen wat de ander bedoelt. Communiceren is dan ook veel meer dan informeren, hoewel het daar in bedrijfscontext dikwijls toe beperkt blijft - het e-mailverkeer en intranet die dwars door de organisatie heen lopen, versterken dat gegeven nog.
De auteur verwijt de organisatietop en de communicatieafdeling “luiheid en onkunde”. Want als er een creatief proces moet opgestart worden, als men inzake communicatie écht eens het verschil kan maken, huurt men meteen een extern bureau in. Alsof er op de eigen afdeling niet voldoende creatieve geesten rondlopen.
Brigitta van Loon ziet een deel van het probleem bij het feit dat communicatie in een afdeling wordt geduwd. Meer nog: er wordt soms zelfs een onderscheid gemaakt tussen interne en externe communicatie. Maar een dergelijke opdeling bestaat in realiteit niet en is alleen maar bedacht om binnen organisatie hokjes te maken en budgetten toe te kennen. Het gevolg is niet zelden dat de afdeling interne communicatie er karig van af komt, want de externe factor “klant” verdient meer aandacht en geld. Nochtans vertellen ook medewerkers tegen vrienden en kennissen over het bedrijf waar ze werken en bepalen ze daarmee net zo goed het imago.
Organisaties denken “verkokerd” over hun communicatie, zegt de auteur van “Wie durft...” Het leidt tot bureaucratie en een beeldvorming die onzeker maakt, betoogt ze. Want vaak wordt een communicatieafdeling gezien als een kostenpost, omdat de resultaten ervan niet tastbaar, zichtbaar en meetbaar zijn. Het langetermijneffect van “duurzame verbindingen”, zoals de auteur het noemt, krijgt weinig ruimte. Nochtans, argumenteert de auteur: als men een organisatie zover krijgt dat iedereen met elkaar in dialoog en verbinding is, dan betekent dat een gelukkige organisatie met tevreden en hard werkende mensen die verantwoordelijkheid nemen.
De afdeling zou volgens Van Loon dan ook de moed moeten hebben om zichzelf op te heffen en als een soort spin in het web in de organisatie te gaan zitten. Dan zou de acceptatie van dialoog en verbinding veel gemakkelijker tot stand komen, omdat iedereen er dan mee te maken krijgt. De mens in de organisatie wordt op die manier gestimuleerd en gemotiveerd om zelf aandacht aan dialoog en communicatie te besteden. Het gaat niet langer om iets dat als een hete aardappel kan worden doorgeschoven naar een afdeling.
De essentie is dat de eigenheid van communicatie naar boven moet worden gehaald. Gedrag en cultuur gaan voor verbale communicatie en sensitiviteit is de basis voor een goede samenwerking. Een goede dialoog en verbindingen komen tot stand als er ruimte is, als er niet te veel regels zijn, én als die dialoog niet in een afdeling wordt geplaatst. De dialoog aangaan is mensenwerk. Meestal wordt te weinig rekening gehouden met de optelsom van de communicatie van de individuen in een organisatie. Zoals er ook te weinig aandacht besteed wordt aan het aspect emotie. Want zonder emotie is er geen degelijke communicatie mogelijk, vindt de auteur.
Het boek bevat interessante inzichten en doet de lezer stilstaan bij zaken die al te gemakkelijk als vanzelfsprekend worden beschouwd. Daarin ligt dan ook de waarde van het werk. Minpunt zijn de soms verregaande filosofische abstraheringen rond het begrip communicatie, die tot gevolg hebben dat de communicatie met de lezer in sommige hoofdstukken dreigt mank te lopen. En dat kan in een boek over communicatie allerminst de bedoeling zijn.
|
 |
 |
|
|

 |
| Leren van en met elkaar op de werkplek |
|
|
|
  |
| |
 |
|
Auteur: Herman Baert, Helga Gielen, Brigitte Lauwers, Leen Van Bree |
| |
Uitgeverij: Kluwer, 2006 |
| |
ISBN: 978 90 4651308 8 |
| |
Prijs: 65 euro |
| |
 |
Werkplekleren vergt andere organisatiecultuur
Men kan niet “niet-leren” tijdens het werk. Maar het leerpotentieel van werkplekken kan grondig verschillen. Bovendien beschouwt men vaak als iets dat vanzelf gaat, alsof het een natuurlijk proces is, maar wat iemand leert, hoe hij leert, wordt sterk beïnvloed door de kenmerken van de werkplek, de organisatie van het werk en de motivatie van de werkende.
De impact van informeel leren van en met elkaar, van werkplekleren, valt niet te onderschatten, stellen de auteurs. Het vormt de motor voor de professionalisering van medewerkers en de performantie van organisaties. Louter inspelen op formele leercontexten volstaat niet om in te spelen op alle interne en externe evoluties. Informeel leren verloopt ongepland en spontaan en is direct gericht op de werksituatie, waardoor het geleerde direct toepasbaar is. Toch blijken er in de praktijk veel blokkades te bestaan om dit informeel leren ten volle aan bod te laten komen. Daarom is een beleid nodig dat gunstige voorwaarden schept voor het informeel leren en dat leerbelemmeringen tot een minimum beperkt.
In het boek wordt werkplekleren vanuit verschillende invalshoeken benaderd. Positief daarbij is dat zeer veel aandacht naar concrete en eenvoudige praktijkvoorbeelden gaat. Elk hoofdstuk is opgevat als een afzonderlijk leesbaar geheel en bevat telkens begripsverduidelijkingen, praktische inzichten en praktijkvoorbeelden. (Dat maakt dat er af en toe een overlapping is. Eén keer is dat zeer storend: een praktijkverhaal van Alcatel komt tweemaal, op nagenoeg letterlijk dezelfde manier, in het boek voor. Hier schiet de eindredactie te kort.)
Niettemin zijn de hoofdstukken ook complementair: het boek opent met een uitgebreide typering van wat onder werkplekleren mag worden verstaan, wat meer en minder formeel leren inhoudt en in welke vormen werkplekleren zich in de praktijk manifesteert.
Het tweede hoofdstuk borduurt daarop voort door de verschillen te belichten tussen werkplekleren en het meer traditionele, klassikale leren en opleiden. Op die manier trachten de auteurs inzicht te bieden in hoe leren in zijn werk gaat, wat HR- en opleidingsverantwoordelijken kan helpen om de gewenste leeruitkomsten te bereiken.
Het derde en vierde hoofdstuk focussen op hoe werkplekleren concreet georganiseerd en gestimuleerd kan worden. Het laatste hoofdstuk sluit daarbij aan en legt uit hoe het bedrijfsbeleid en meer specifiek het HR-beleid gunstige voorwaarden voor werkplekleren kan scheppen.
Eén van de essentiële principes die onvermijdelijk invloed hebben op het beleid, is dat leren van en met elkaar andere werk- en machtsrelaties vergt en dat er in die context anders aangestuurd moet worden dan in klassieke hiërarchische verhoudingen. Het vereist veranderingen in de organisatiecultuur en het stellen van prioriteiten in het HR-beleid ten gunste van leren en kenniscreatie. Dat HR-beleid dat werkplekleren wil bevorderen, zal de meerwaarde ervan voor zowel managers als de medewerkers moeten aantonen. Medewerkers moeten duidelijk kunnen zien en voelen wat ze kunnen winnen via werkplekleren. Dat zal niet op de eerste plaats aan de hand van cijfermatige gegevens zijn - een taal die bij het management vaak nochtans het best inwerkt - maar via evaluatiegesprekken waar concrete werkproblemen kunnen worden besproken.
Dialoog is overigens een fundamenteel aspect van werkplekleren: dat is immers in grote mate een relationele praktijk, waarbij naast cognitieve elementen ook gevoelens als vertrouwen, respect, waardering en belangstelling een rol spelen. Cruciaal is dat de medewerker zich bereid toont om te leren en dat de organisatie dat ten volle waardeert en ondersteunt. Het boek geeft daartoe diverse praktische adviezen. Eén daarvan is dat een beleid rond werkplekleren niet van achter een bureau wordt uitgetekend, maar via overleg en informele contacten. Lerend werken is immers ook samen speken over leren.
|
 |
 |
|
|

 |
| Werk en wereld in de weegschaal |
|
|
|
  |
| |
 |
|
Auteur: Patrick Develtere, Ides Nicaise, Jozef Pacolet & Tom Vandenbrande (red.) |
| |
Uitgeverij: Lannoo, 2007 |
| |
ISBN: 978 90 20974201 1 |
| |
Prijs: 34,95 euro |
| |
 |
Helikopterview op de arbeidsmarkt
“Werk en wereld in de weegschaal” is een vrij indrukwekkende verzameling essays over een al even indrukwekkend gamma aan thematieken. De arbeidsmarkt is daarbij nooit ver weg, hoewel ook andere maatschappelijke thema’s in het boek aan bod komen. Een greep uit de onderwerpen: aspecten van globalisering (onder meer in de artikels over “Wereldbreed leren” en “De impact van internationale migratie”), arbeidsorganisatie in kmo’s (o.m. sociaal overleg in kmo’s en veiligheid op de kmo-werkvloer), arbeidsrecht, en diverse bijdragen over het functioneren van de arbeidsmarkt. Het voordeel aan zo’n breed spectrum van invalshoeken is dat de HR-professional er altijd wel enkele hoofdstukken in vindt die relevant zijn voor zijn eigen situatie en/of activiteiten. Eigen aan het Hoger Instituut voor de Arbeid (alle auteurs zijn op één of andere manier met het HIVA verbonden of verbonden geweest), zijn de bijdragen niet alleen wetenschappelijk stevig onderbouwd, maar ook vaak vanuit een sociale visie geschreven.
Daarbij krijgt ook de vakbond een stem. Zo hekelen in één bijdrage ACV-topmannen Luc Cortebeeck en Chris Serroyen de nadrukkelijke focus van de werkgevers op de loonmatiging. Niet dat de vakbondsleiders die loonmatiging niet nodig vinden, maar die biedt volgens hen geen voldoende oplossing om de (sociaal-)economische toekomst van België te verzekeren. Ze pleiten voor een vijfsporenbeleid, waarvan sommige ingrediënten bekend in de oren klinken zoals een doelmatiger innovatiebeleid, investeren in onderwijs en vorming, vernieuwen van het economisch industriële weefsel, samenwerking tussen de gewesten op het vlak van arbeidsmarktbeleid.
Maar de vakbonden schieten op het vlak van innovatie en soepel inspelen op nieuwe realiteiten, ook zelf tekort. Getuige daarvan onder meer hun defensieve en protectionistische houding in outsourcing- en offshoringprojecten die de gemondialiseerde economie kenmerken. Monique Ramioul belicht die problematiek en gaat na hoe en in welke mate een lokale werknemersvertegenwoordiging dergelijke outsourcingstrategieën mee kan sturen. Eerste vereiste daartoe is alvast het keren van de vrees voor de globalisering (die kenmerkend is voor werknemersorganisaties) naar een proactieve houding ertegenover, die gericht is op duurzame ontwikkeling en arbeid en tegen de achtergrond van de nieuwe realiteit van een groeiende internationale arbeidsherverdeling.
Othmar Vanachter vraagt zich elders in het boek af of het arbeidsrecht te rigide is voor de huidige economische realiteiten. Om die vraag te beantwoorden, maakt hij onder meer de vergelijking met het Japanse en Deense model.
Geert Van Hootegem en Paul Berckmans gaan over de grenzen kijken om aan te tonen dat langer werken niet alleen een kwestie is van de pensioenleeftijd op te trekken, maar ook van het aanbieden van “werkbare” jobs en (daarmee samenhangend) van een innovatieve arbeidsorganisatie. Ze definiëren daartoe tien succesfactoren.
Ook Luc Sels gaat in zijn bijdrage in op de thematiek van tewerkstelbaarheid en de lage activiteitsgraad van oudere werknemers. Daarin pleit hij voor een andere benadering van outplacement. Op dit ogenblik worden de kosten daarvoor gedragen door de werkgever, waarbij Sels opmerkt dat op die manier geen onderscheid wordt gemaakt tussen een werkgever die vóór het ontslag al sterk investeerde in inzetbaarheid van zijn werknemers, en een werkgever die dat niet doet. Door tussen te komen in de kosten als een outplacementbegeleiding snel succes oplevert, zou de overheid voorzien in een indirecte beloning voor de inspanningen op het vlak van employability.
Opmerkelijk is ook de bijdrage van Herman De Dijn, die de wijdverbreide evaluatiedrang op de korrel neemt. Evaluatieprocessen zijn in HR, het bedrijfsleven, maar ook in de maatschappij algemeen immers zeer sterk ingeburgerd. Het lijken dan ook vanzelfsprekende manieren om een oordeel over iets of iemand te vellen. Maar toch mogen bij die evidentie vragen gesteld worden, vindt Herman De Dijn. Onder meer de onkritische wijze waarop zaken als wetenschappelijk worden beschouwd, roept volgens hem vragen op. Managers en politici willen een meetinstrument hebben, ook al is het vaak niet helemaal duidelijk wat men precies meet. Bovendien leidt een te sterke aandacht voor dergelijke meetinstrumenten de aandacht sterk naar de meetbare resultaten en ligt de focus daardoor niet meer noodzakelijk op de activiteiten op zich. Activiteiten worden als het ware benaderd als een sport. Het komt erop aan vooraan in de rangorde terecht te komen. De poging om alle waarde in termen van dit nut te vertalen, impliceert dat alleen wat rechtstreeks zijn nut kan bewijzen nog als de moeite waard wordt beschouwd. In die context onderschat men met andere woorden sterk de tacit knowledge, de niet-expliciteerbare kennis. Een interessante gedachte, en zo zijn er in “Werk en Wereld in de Weegschaal” tientallen te vinden.
|
 |
 |
|
|

 |
| Door het bos de bomen zien |
|
|
|
  |
| |
 |
|
Auteur: Jan Bommerez |
| |
Uitgeverij: United Media Company, 2007 |
| |
ISBN: 978 90 86690466 |
| |
Prijs: 27,50 euro |
| |
 |
Als we willen weten hoe we met complexe systemen en processen willen omgaan, kunnen we het beste bij de natuur in de leer gaan. We kunnen ingrijpen in de natuur, maar we kunnen haar niet beheersen. Hoe meer we evolueren in de richting van een meer virtuele en dus minder tastbare wereld, hoe groter de betekenis van principes uit de kwantumfysica en de chaostheorie. Het newtoniaanse, analytische en gefragmenteerde denken is voorbijgestreefd, maar in economische redeneringen is het nog altijd de dominante manier van denken. Dat is de overtuiging van Jan Bommerez, de auteur van “Door de bomen het bos zien”.
Hij verwijst in deze context naar Arie de Geus, de strategische denker bij Shell. Diens onderzoek en observaties leidde tot de conclusie dat lerende organisaties een hoge tolerantie hebben voor interne en externe fluctuaties en dat ze gedragen worden door een leefgemeenschap die meer gevormd is door gedeelde zingeving dan door organisatorische maatregelen. Het zijn met andere woorden organisaties die zich gedragen als open, levende systemen met een ziel. Dergelijke organisaties worden meer geleid door natuurlijke dan door economische principes. De newtoniaanse opvatting van een organisatie is die van een beheersbare machine. Maar lerende organisaties worden gestuurd door mensen.
“Doordat we blind zijn voor het feit dat organisaties non-lineaire, complexe systemen zijn, leidt meer dan zeventig procent van alle veranderingsprojecten tot ontgoochelingen”, argumenteert de auteur. Wie zich verzet tegen complexiteit verzet zich tegen de evolutie zelf. Wie chaos denkt te moeten onderdrukken beseft meestal niet welke prijs daarvoor betaald wordt.
De auteur gaat zeer uitgebreid en breedvoerig in op het creëren van gemeenschap. Daarbij gaat hij al eens de pathetische toer op. Maar tegelijkertijd krijgen de uitwijdingen over onder meer de chaostheorie elders in het boek hier een directe link met organisatiemanagement. Gemeenschapsvorming kent vier fasen. De eerste is die van de schijngemeenschap. Groepen die en gemeenschap willen vormen of dat al denken te zijn, zullen dikwijls iets veranderen op gedragsniveau, zonder een echte bewustzijnssprong te maken. Het is een vorm van “positief conditioneren”, maar veelal gaat het over een vrij broos en weinig authentiek evenwicht, waar eventuele spanningen onderdrukt worden, tot ze als een bom exploderen. In dat geval bereikt men fase twee, de fase van de chaos. De auteur wijst erop dat chaos een veel te pejoratieve connotatie heeft. Chaos is immers de vernieuwende energie die oude structuren zal afbreken en gesloten systemen zal openbreken. Het is in die zin een essentieel onderdeel in het proces van gemeenschapsvorming dat men niet mag onderdrukken. De chaosfase biedt ook zicht op hoe men met conflict omgaat.
Na de chaosfase mag men niet meteen verwachten dat alle wonden geheeld zijn en men meteen met vernieuwde motivatie aan de slag kan. Er is een fase van leegte nodig. Die fase voelt echter oncomfortabel aan. Daardoor bestaat de neiging om terug te vallen in de fase van de schijngemeenschap. De auteur noemt de leegteperiode een “soort doodsstrijd van de oude vormen.” Het vergt moed die door te komen, maar wie volhardt, bereikt de fase van de ware gemeenschap: er is een groter gevoel van veiligheid en comfort binnen de groep, er wordt opener gepraat, minder vanuit het eigen grote gelijk. Echte gemeenschap ontstaat alleen waar dialoog de norm wordt. De eerste regel voor gezonde dialoog is: stel je oordeel uit.
Tegelijkertijd waarschuwt de auteur dat zo’n “ecosysteem” kwetsbaar blijft. Een nieuw groepslid kan opnieuw allerlei kwalijke neveneffecten veroorzaken.
Een echte gemeenschap moet in staat zijn om “flow” tot stand te brengen. Dat is de dynamische balans tussen continuïteit en vernieuwing. Flow impliceert een enorme beweeglijkheid, zonder in chaotische toestanden te vervallen. Het stelt mensen en organisaties in staat om tot een constante creativiteit te komen.
Het minste wat van “Door de bomen het bos zien” kan zeggen, is dat het een zeer bijzonder boek is. Het zoomt in op organisaties en groepsdynamiek vanuit op het eerste gezicht zeer ongewone invalshoeken. Maar de auteur slaagt er, mede door blijk te geven van een grote kennis en diepgang, in de lezer te overtuigen dat de gevolgde denkpistes essentiële inzichten vormen om tot gezond en goed werkende organisaties te komen. Een zekere hoogdravendheid is hem in sommige hoofdstukken niet vreemd, maar wie daar even abstractie van maakt, kan niet anders dan toegeven dat dit één van de meest waardevolle werken is die in het Nederlandse taalgebied ooit over organisatiedynamiek zijn gepubliceerd.
|
 |
 |
|
|

 |
| Managementteams - de praktijk: een rooddruk |
|
|
|
  |
| |
 |
|
Auteur: Hans Van De Putte |
| |
Uitgeverij: Pearson Education, 2007 |
| |
ISBN: 978 90 43014557 |
| |
Prijs: 24,95 euro |
| |
 |
“Managementteams” wil een praktijk- en werkboek zijn voor eindverantwoordelijken en managers in managementteams. De auteur slaagt erin die bedoeling waar te maken door een helder en goed gestructureerd geheel aan te bieden dat ingaat op het begrip managementteam, de valkuilen, het belang ervan, de “tien geboden”, en dergelijke. Dat hij daarbij in een streven naar volledigheid al eens evidenties verwoordt, is onvermijdelijk.
Managementteams zijn vaak die naam niet waardig. Een groep leidinggevenden die samenkomt en zichzelf een team noemt, is immers nog geen team, ook niet na een teambuildingsessie. Een echt managementteam kenmerkt zich door samenwerking in onderlinge onafhankelijkheid met enkele specifieke kenmerken, waaronder teamleiderschap, een bepaalde structuur en kwalitatieve samenwerking. Als collectief heeft het managementteam als primaire taak de operationele, strategische en institutionele leiderschapstaken van de organisatie te vervullen. Naast de verantwoordelijkheid voor zijn eigen eenheid of functie, is elk teamlid medeverantwoordelijk voor het collectieve belang en de ontwikkeling van de organisatie. Een echt managementteam heeft dan ook meer toegevoegde waarde voor de organisatie en de medewerkers dan een groep afdelingshoofden. In ene vergadering met afdelingshoofden zal een lid van het management immers vooral de belangen van zijn eigen afdeling behartigen. De kunst is om dat te doorbreken en een degelijk, coherent en samenwerkend team op de rails te zetten.
Daar wil de auteur een aanzet toe geven. Hij combineert daarbij visie met concrete adviezen. Zo stelt hij dat een managementteam beter niet meer dan zeven leden telt. Daarnaast kan er maar één iemand de eindverantwoordelijke zijn in een managementteam. Die fungeert als inhoudelijk voorzitter en als teamleider, waarbij hij in een coachende rol het groepsproces beïnvloedt.
Die teamleider is volgens de auteur cruciaal. Zijn taken zijn dan ook veeleisend, niet alleen als manager maar vooral als coach. Hij moet voortdurend vanuit een helikopterview werken, maar tegelijkertijd ook deel uitmaken van het groepsproces. Bij een managementteam dat teleurgesteld geraakt in het eigen functioneren, is het de eindverantwoordelijke die ruimte voor reflectie moet durven creëren. De auteur citeert authentiek gedrag, inspirerend leiderschap en een kwetsbare opstelling als sleutelbegrippen voor het goed functioneren van de teamleider.
Een echt managementteam heeft naast de algemene taakstelling van de organisatie ook eigen doelstellingen, waaraan de teamleden in onderling overleg en afhankelijkheid werken. Behalve expertise in hun eigen vakgebied, moeten managers die teamlid zijn ook blijk geven van degelijke communicatieve en gedragsmatige eigenschappen. Een echt managementteam wordt dan ook niet zomaar opgericht, maar ontwikkelt zich op basis van de juiste kwaliteiten van mensen en randvoorwaarden tot een echt team. Het komt erop aan om elkaar te inspireren en via open dialoog en wederzijds vertrouwen te komen tot een “gemeenschappelijke bandbreedte.” De auteur legt in het boek uitvoerig uit hoe een dergelijk “écht team” zich kan ontwikkelen.
Eén van de essentiële kenmerken van een krachtig managementtam is diversiteit in kwaliteiten en persoonlijkheden, uiteraard op voorwaarde dat die verschillen in stijlen en teamrollen overbrugd worden en tot een synergie komen. Zoniet blijft het team hangen in tegenstellingen, conflicten en een machtsstrijd die goede resultaten in de weg staan.
Liever ook geen managementteam dan een mislukt team dan niet degelijk functioneert, vindt de auteur. Een pseudo-managementteam leidt immers tot demotivatie en frustratie bij de teamleden en dat effect zal onvermijdelijk negatief uitstralen op de rest van de organisatie: bij gebrek aan een efficiënt managementteam zullen ontwikkelings- en veranderingsprocessen vertraagd of afgeblazen worden en weerstanden zullen, als gevolg van meervoudige en onduidelijke sturing toenemen en leiden tot wildgroei.
Als het boek één zaak duidelijk maakt, is het wel dat er meer nodig is dan een groepje vergaderende managers om van een managementteam te speken. Een echt team is veel meer dan dat, en biedt bovendien een zeer sterke meerwaarde voor de hele organisatie. Of zoals auteur Hans Van De Putte stelt: “Het ontkennen van de noodzaak van een MT staat gelijk aan het weer tot leven brengen van autoritair leiderschap. De samenstelling en werking van zo’n team vergt echter wel een zeer doordachte aanpak, en het boek biedt daar ongetwijfeld een stevige ruggensteun bij.
|
 |
 |
|
|

 |
| Van baanzekerheid naar werkzekerheid op de Belgische arbeidsmarkt - Ideeën voor een New Deal voor arbeid in België. |
|
|
|
  |
| |
 |
|
Auteur: Marc De Vos en Joep Konings |
| |
Uitgeverij: Intersentia, 2007 |
| |
ISBN: 978 90 5095693 2 |
| |
Prijs: 18,75 euro |
| |
 |
“Van baanzekerheid naar werkzekerheid op de Belgische arbeidsmarkt” is de eerste publicatie in boekvorm van het Itinera Institute, een onafhankelijke denktank die “wegen wil aanreiken voor beleidshervormingen met het oog op duurzame economische groei en sociale bescherming in België en zijn regio’s.” Het werk maakt een analyse van de arbeidsmarkt en formuleert verbetervoorstellen. In hun analyse van de knelpunten op de arbeidsmarkt gaan de auteurs geen onderwerp uit de weg: vergrijzing, globalisering, eenheidsstatuut, hervorming van de paritaire comités, banenplannen, loonkosten, activeringsmaatregelen, enz. Het is zelden gezien dat de arbeids(markt)problematiek zo veelomvattend wordt belicht en dat gegeven alleen al maakt het boek interessant. De ondertitel van het boek, “Ideeën voor een New Deal voor arbeid in België” geeft aan waar het de auteurs om te doen is: echt uitgewerkte oplossingen schuiven ze niet naar voren, ze willen vooral een voorzet geven tot een breed debat en de mechanismen in het Belgische arbeidsmodel herdenken. Dat maakt natuurlijk dat de suggesties die in het boek te vinden zijn, soms nogal vrijblijvend overkomen. Maar wie een constructief debat wil openen met zoveel mogelijk betrokken partijen, laat beter ruimte voor interpretatie en concrete invulling. Niet dat het boek in vaagheid blijft hangen, verre van zelfs. De auteurs nemen wel degelijk standpunt in.
Zo spreken ze zich ondubbelzinnig uit voor een eenheidsstatuut en dus het volledig wegwerken van de verschillen tussen arbeiders en bedienden, voor een drastische inkrimping van de paritaire comités, voor een zeer duidelijke koppeling van werkloosheidsuitkering aan participatie aan activeringsprogramma’s, een geleidelijke uitdoving van het brugpensioen en andere uitstapregelingen, een decentralisatie in de organisatie van het sectorale loonoverleg (zodat cao gemoduleerd kunnen worden naar bedrijfsomstandigheden), enzovoort.
Het beeld dat in het boek van de Belgische arbeidsmarkt wordt getekend, is er niet onmiddellijk één om wild enthousiast over te worden. De arbeidsmarkt heeft de groei van de beroepsbevolking nooit kunnen volgen, stellen de auteurs vast. De slechte prestatie van de Belgische arbeidsmarkt is dan ook een structureel, en geen conjunctureel probleem, vinden ze. Bovendien blijkt de werkgelegenheidscreatie zich in hoofdzaak te concentreren in de overheidssector en de quartaire sector (social profit, onderwijs,…). De opeenvolgende regeringen hebben vooral maatregelen genomen in de marge of voor specifieke groepen. De kern van de Belgische arbeidsregulering is door de jaren heen onaangetast gebleven en staat steeds verder verwijderd van de economische en sociologische realiteit, zo betogen de auteurs.
Volgens hen is de arbeidsmarkt vooral goed in het “afschermen van de gelukkigen die al werk hebben”. Die baanzekerheid voor de werknemers gaat gepaard met verminderde werkkansen voor de werkzoekenden. Hoe lager de gemiddelde anciënniteit, hoe hoger de werkgelegenheidsgraad, zo blijkt. Een te rigide bescherming van het vaste personeel duwt nieuw personeel in precaire tewerkstelling als tijdelijke contracten of uitzendarbeid. Daarnaast wijzen de auteurs op de werkloosheidsvallen. De huidige Belgische werkloosheids- verzekering is nooit opgevat als een instrument van actief arbeidsmarktbeleid. De Vos en Konings voeren in dat verband een bekend pleidooi: een beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd, gekoppeld aan een pakket van activeringsmaatregelen. Ze wijzen er tevens op dat een succesvolle activering een cultuuromslag vergt van alle actoren: werklozen, werkgevers, werknemers, overheden en vakbonden.
De analyse en benadering van oudere werknemers op de arbeidsmarkt, bestaan in hoofdzaak uit vertrouwde standpunten, die aandringen op een sterk vormingsbeleid, op fiscale maatregelen en op het terugdringen van brugpensioen en vervroegde uitstapmogelijkheden.
De auteurs pleiten daarnaast vurig voor een doorgedreven diversiteitsbeleid: “De regering moet in een volgende legislatuur alle beleidsniveaus en alle sociale partners samenbrengen voor (…) een actieplan dat de fase van de vrijblijvendheid achter zich laat.”
Dat ook de (para)fiscale last op arbeid in het boek behandeld wordt, hoeft niet te verbazen: volgens Oeso-cijfers behoort die in België tot de hoogste ter wereld. Hoge loonlasten stoten - vooral laaggeschoolde - arbeid uit. Een ideale lastenverlaging combineert volgens de auteurs een algemene bijdragevermindering met een focus op de lage lonen.
Een rode draad door het boek is de vaststelling dat vele aspecten van de arbeidsmarktmechanismen gedateerd zijn en hoegenaamd niet meer aangepast aan de eigenheden van de hedendaagse arbeidsmarkt. De auteurs profileren hun werk bijgevolg als een oproep tot brede en diepgaande hervormingen, en tot het achterwege laten van krampachtige reflexen van verworven rechten
|
 |
 |
|
|

 |
| Mijn organisatie is een oerwoud - Red Monkey Innovation Management |
|
|
|
  |
| |
 |
|
Auteur: Jef Staes |
| |
Uitgeverij: Lannoo, 2007 |
| |
ISBN: 978 90 2097186 6 |
| |
Prijs:19,95 euro |
| |
 |
Organisaties slagen er maar niet in om te evolueren tot innovatieve, lerende organisaties, vindt Jef Staes in zijn nieuwe boek “Mijn organisatie is een oerwoud”. Leren en innoveren wordt bovendien steeds moeilijker, want het moet in de huidige economische realiteit alsmaar sneller. Het “tweedimensionaal ondernemen” – Staes gebruikt daarvoor de metafoor van een binnenwater met links en rechts een veilige oever om aan te meren – moet plaats maken van een driedimensionale wereld. De oevers zijn weg, de overkant onbekend en de stromingen en turbulenties die het richtinggevoel doen verliezen zijn niet in te schatten. De vlakke omgeving is vervangen door een wervelende, chaotische ruimte. Daarin wordt innovatie meer dan ooit een essentiële factor, wil men niet uitgespeeld worden. De auteur analyseert situaties en attitudes van managers en medewerkers die het innovatieproces bemoeilijken dan wel stimuleren.
De rode draad doorheen zijn betoog is dat het traditionele managementdenken niet geschikt is om in de 3D-realiteit een meerwaarde te bieden. De situatie waarbij diegene die aan het hoofd staat van een team tegelijkertijd de beste expert is, de opdrachten verdeelt, een grondig overzicht behoudt van en controle uitoefent over alle activiteiten, beantwoordt niet meer aan een werkelijkheid waarin een innovatiegeest voor een onderneming levensnoodzakelijk is. De “2D-manager” ziet zijn medewerkers niet als partners, maar als assistenten. De 3D-manager vertrekt vanuit het idee dat zijn medewerkers slimmer zijn of worden dan hijzelf is. Zij worden de echte experts, en de opdracht van de manager bestaat erin om met zijn team garant te staan voor het uitvoeren van een missie. Een teamvisie en –strategie uitstippelen is zijn basisopdracht. De managementstijl van een 3D-manager is erop gericht om innovatieve ideeën los te weken bij zijn medewerkers.
Echt nieuw is die idee natuurlijk niet, maar Staes biedt in zijn boek wel een interessante en originele benadering van dat uitgangspunt. Daartoe introduceert hij de rode aap, de Red Monkey en het biotoop van de oerwouden, als metafoor voor innovatie en verandering. Hij stelt vast dat innovaties weinig kans op slagen hebben als die in de kern van het oerwoud wordt gelanceerd. Daar is de samenleving van de dieren immers, door de eeuwen heen, tot een zeer stabiel evenwicht gekomen. Iedereen heeft er een rol. Als je in die omgeving een rode aap (dus een nieuw idee) lanceert, is de overlevingskans daarvan vrijwel nihil. Het is immers een indringer die het bestaande systeem en de heersende orde verstoort. Veranderingen doen zich dan ook het meest voor aan de rand van het oerwoud, waar verschillende werelden (al dan niet conflictueus) met elkaar in contact komen. Op die manier hebben innovaties in organisaties ook de meeste kans op slagen: elke organisatie beschikt wel over medewerkers die voortdurend en bewust op zoek gaan naar andere invalshoeken, naar confronterende ideeën in de periferie van hun eigen vertrouwde werkterrein (door Jef Staes Red Monkey Breeders genoemd). Zo worden denkkaders doorbroken.
Belangrijk is dat dit vanuit de basis gebeurt, want op die manier kunnen de ideeën geleidelijk groeien in de richting van de top van de organisatie – zeg maar de kern van het oerwoud. Al gaat dat natuurlijk niet zonder slag of stoot. De meerderheid binnen de organisatie is immers Red Monkey Hunter, zal vooral argumenten bedenken om de innovatieve ideeën, die de zekerheden onder druk zetten, tegen te werken. Staes maakt hierbij de bedenking dat één persoon niet per se tot één van beide kampen behoort. Afhankelijk van de context, kan iemand tot de breeders, hunters of nog een ander type (waaronder de followers en settlers) behoren.
Waar het de auteur vooral om gaat, is dat veranderingsprocessen in een organisatie beter niet topdown worden ingevoerd. Om ze tot een succes te maken, moeten deze processen zich een weg banen via allerhande kanalen, rivierbeddingen die zelf hun traject zoeken en zelden of nooit op een voorspelbare manier hun weg vinden. Het management moet dergelijke vernieuwingsprocessen niet introduceren en leiden, maar er wel een neus voor hebben, ze kunnen herkennen en een omgeving creëren waar die ideeën niet alleen kansen krijgen, maar ook gestimuleerd worden.
Staes lanceert in zijn boek het begrip “integrale innovatiezorg”, analoog met integrale kwaliteitszorg: innovatie moet een bekommernis zijn van iedereen, ongeacht functie of niveau. In een 3D-organisatie is dat meer denkbaar dan in een 2D-omgeving, waar alleen het management over de informatie beschikte om tot innovatie te komen.
“Mijn organisatie is een oerwoud” is een boek dat lekker leest, doet stilstaan en voorzetten geeft. Tegelijkertijd is het soms wat naïef en gaat het te gemakkelijk voorbij aan bepaalde economische realiteiten. Maar misschien is dat wel noodzakelijk om innovatief te zijn.
|
 |
 |
|
|

 |
| Grootmeester in communicatie |
|
|
|
  |
| |
 |
|
Auteur: Karlien Vanderheyden en Veronique Warmoes |
| |
Uitgeverij:Lannoo & Scriptum, 2007 |
| |
ISBN:978 907743212 9 |
| |
Prijs:16,95 euro |
| |
 |
Communicatie is een proces waarbij iemand een boodschap uitzendt en iemand anders de boodschap ontvangt. Dat lijkt eenvoudig, maar het is in feite een complexe materie. De auteurs van “Grootmeester in communicatie” trachten de moeilijkheden en hindernissen die een degelijke communicatie in de weg staan te ontrafelen. Ze slagen er alvast in om zelf degelijk te communiceren met hun lezers: het boek is helder qua structuur, leest vlot en wisselt theoretische beschouwingen en onderzoeksgegevens naadloos af met praktijkverhalen en adviezen.
Er wordt wel eens gezegd dat er, dankzij de ontwikkeling van de nieuwe technologieën, nog nooit eerder zoveel gecommuniceerd is. De auteurs voegen daar meteen een randbedenking bij: er is inderdaad een gigantische informatie-uitwisseling, maar die leidt niet altijd tot een betere communicatie en kennisoverdracht. Want trop is teveel.
Wel is communicatie meer dan ooit van belang, omdat de maatschappij de voorbije decennia is geëvolueerd. Meer dan ooit is gefundeerde argumentatie noodzakelijk: in het gezin en op school nemen kinderen niet zomaar dingen aan. Je moet hen overtuigen. Dat was ooit anders. Ook de werkvloer is in die zin veranderd.
Een goede communicatie is op zich al geen sinecure, waardoor het uiteraard nog delicater wordt om in moeilijke tijden - herstructureringen, interne conflicten,.. - te communiceren. Daar wordt in het boek een apart hoofdstuk aan gewijd.
Effectieve communicatie stemt het medium af op de aard en complexiteit van de boodschap - de auteurs illustreren hun adviezen terzake met praktische voorbeelden - en omvat vier invalshoeken: een duidelijke inhoudelijke boodschap, duidelijkheid over de relatie tussen de boodschapper en de ontvanger, duidelijkheid over het referentiekader en de context, en feedback. Onduidelijkheid over deze invalshoeken leidt tot communicatiestoornissen. Zo kan een opmerking over een rapport door de ontvanger geïnterpreteerd worden als een gebrek aan appreciatie vanuit de boodschapper (het relationele aspect, dus), terwijl de boodschap eigenlijk puur inhoudelijk bedoeld was.
Een veel voorkomende fout is het nodeloos ingewikkeld maken van de boodschap. Mensen vrezen vaak dat eenvoudige taal dom overkomt, maar niets is minder waar, zo blijkt uit onderzoek waaruit de auteurs citeren. Een ander probleem is dat mensen doorgaans geen goede luisteraars zijn. Volgens experts in communicatie begrijpen mensen gemiddeld een kwart van een verbale boodschap. Dat is onthutsend weinig. De auteurs zoeken naar een verklaring daarvoor, en geven tevens adviezen om de luistervaardigheid bij te spijkeren.
Wie op zoek is naar spectaculaire inzichten, zal in “Grootmeester in communicatie” zijn gading niet vinden. En dat is maar goed ook: het werk biedt een helder beeld van waar het inzake communicatie om gaat. Zonder toeters en bellen, maar met nadruk op de boodschap. Zoals het goede communicatie betaamt.
|
 |
 |
|
|

 |
| Ideeën genoeg - Slagvaardig innoveren in de dienstverlening |
|
|
|
  |
| |
 |
|
Auteur: Wichert van Engelen (red.) |
| |
Uitgeverij:Pearson Education, 2007 |
| |
ISBN:978 90 4301442 7 |
| |
Prijs:24,95 euro |
| |
 |
“Ideeën genoeg” is een sterke verzameling essays en getuigenissen van personen die professioneel met innovatie binnen organisaties bezig zijn. Hun visies en inzichten, gekruid met anekdotes, succesverhalen en mislukkingen, vormen een waardevolle bundel. Het sterke punt van het boek, namelijk dat uit de bijdragen enkele scherpe kernboodschappen op de voorgrond komen, is tegelijkertijd de achillespees: de eensgezindheid in visie is opvallend en leidt tot net iets te veel overlappingen. Misschien hadden enkele dissidente meningen de inhoud nog rijker gemaakt, al mag dat onder de noemer detailkritiek gecatalogeerd worden. Daarenboven is herhaling een efficiënt communicatiewapen.
Redacteur Wichert van Engelen loopt in zijn inleiding niet hoog op met de bestaande innovatieliteratuur en geeft daarmee meteen de verantwoording voor het boek weer: de bestaande literatuur bevat al te vaak kant-en-klare innovatierecepten: wie x doet en dan y, zal succes kennen. Op die manier wordt gesuggereerd dat innoveren een kunstje is, een circusnummer. Van Engelen ergert zich nog meer aan de boeken die gouden regels en wetten formuleren als garantie op innovatiesucces. Want iedereen weet dat mooie theorietjes en pasklare oplossingen in de praktijk altijd anders uitdraaien. Bovendien is innovatie geen uitgestippelde trip maar een ontdekkingsreis. Veel innovaties zijn het product van het toeval. “Ideeën genoeg” is dan ook geen boek waarin u toverformules vindt, maar laat de lezer rondsnuffelen tussen een reeks ervaringen - dikwijls van innovatieprojecten in bekende organisaties - en inzichten, in de hoop dat hij daar dan eigen leerpunten en visies mee opbouwt.
Een opvallende rode draad doorheen de essays is dat een innovatieafdeling iets anders moet doen dan verbeteringen aanbrengen op bestaande structuren en werkmethodes. Dat is in de ogen van vele auteurs geen echte innovatie, maar evolutionaire verbetering, veelal gericht op meer doen voor hetzelfde of minder geld. Maar dat is niet het domein van de innovatoren. Die moeten namelijk een radicale vernieuwing van producten en diensten voorstaan. Het moet niet gaan over “hetzelfde of minder geld”, maar over “vers geld”. Geld dat klanten uitgeven aan diensten en producten die de organisatie voorheen niet aanbood.
Om zover te komen, is durf en een zekere radicaliteit nodig. Ze zijn legio, de voorbeelden van bedrijven waar het management meer creativiteit vraagt van de medewerkers, maar waar uiteindelijk niet de meest creatieve ideeën het halen, maar deze die het meest haalbaar worden geacht en het best passen in het voorstellingsvermogen van het management. Dat kan niet de bedoeling zijn, en het is al zeker geen echte innovatie.
Het temmen van “wilde ideeën” is een reëel gevaar. Als zo’n idee eerst door de juridische en technische molen gaat, blijft er vaak niet veel meer dan een schim van over. Een goed idee is volgens één van de auteurs in eerste instantie een ongewoon, vreemd en zelfs lachwekkend idee. Daarmee sluit de schrijver in kwestie aan bij Albert Einstein, die ooit zei dat, als een idee in eerste instantie niet absurd lijkt, er weinig kans bestaat dat het een goed idee is. Wie iets innovatiefs wil doen, en met zijn voorstel uitgelachen wordt, is op de goede weg. Het zijn immers de ideeën die weerstand en vraagtekens oproepen die vaak de meest vruchtbare zijn. Wie een idee aanbrengt dat iedereen goed vindt, mag er immers van uitgaan dat hetzelfde idee bij de concurrentie al op de plank ligt.
Maar met een grandioos idee smeer je natuurlijk je boterham niet. Het genereren van ideeën, het filosoferen over nieuwe concepten, is best leuk. Maar er een businessmodel rond ontwikkelen is dat al veel minder, maar uiteraard even noodzakelijk. Het is voor innovatoren dan ook van essentieel belang voldoende aandacht te besteden aan de realisatie van ideeën. En zelfs al vindt de innovatieafdeling een goede implementeerbare vernieuwing, dan nog is de weg naar succes nog steeds zeer lang. Binnen de organisatie moet immers ook iemand verantwoordelijk gesteld worden voor het realiseren en commercialiseren van de nieuwigheid - dat is niet de innovatiemanager, want die ontwikkelt de ideeën, maar verkoopt ze niet. Het is bijgevolg essentieel dat vanaf een zeer vroeg stadium de lijn, het uitvoerende niveau, de fabriek, de mensen die het “echt doen”, mee betrokken zijn bij de ontwikkeling van de innovatie. Zoniet kun je net zo goed ophouden.
“Ideeën genoeg” is een terechte titel: het boek gooit als inspiratiebron, met een aanstekelijke mix van concrete verhalen en uitgesproken meningen, hoge ogen. Het laat zeer terecht de holle retoriek van methodiekjes en systematiekjes ver achterwege en gaat meteen naar de kern.
|
 |
 |
|
|

 |
| Werken aan systeeminnovaties - Lessen uit de praktijk van InnovatieNetwerk |
|
|
|
  |
| |
 |
|
Auteur: John Grin en Arienne van Staveren |
| |
Uitgeverij:Van Gorcum, 2007 |
| |
ISBN:978 902324259 8 |
| |
Prijs:27,50 euro |
| |
 |
InnovatieNetwerk is een Nederlandse instelling die tot doel heeft systeeminnovaties te ontwikkelen in de beleidsdomeinen van landbouw, natuurbeheer en voedselkwaliteit. Het boek is eigenlijk een zeer uitgebreid verslag van drie projecten van InnovatieNetwerk: het start met een gedetailleerd rapport over de ontstaansgeschiedenis en ontwikkeling van de projecten en trekt daar vervolgens lessen uit die uiteindelijk uitmonden in beschouwelijke inzichten in het wat, hoe en waarom van systeeminnovatie. Hoewel die aanpak - van praktijk naar theorie, dus - goedbedoeld is, veroorzaakt hij bij de lezer aanvankelijk wat verwarring, die nog wordt opgepompt doordat men zich wel eens bezondigt aan woordenkramerij, een eigenschap die wel meer van onze noorderburen typeert.
Bovendien lijken de actiedomeinen van InnovatieNetwerk voor een HR-professional misschien ver van het bed, maar ten onrechte: het boek biedt wel degelijk interessante en concrete inzichten in de realisatie van organisatieverandering en -vernieuwing, die overal toepasbaar zijn, ongeacht de context.
Er is niet één alleenzaligmakende werkwijze om een systeeminnovatie te realiseren. In het boek worden de verschillende benaderingen van de praktijk- voorbeelden uit de doeken gedaan en daaruit worden gemeenschappelijke fases gedistilleerd, die uitgebreid toegelicht worden.
Een innovatieproject heeft ook nood aan een projectleider, van wie de competenties en rollen niet min zijn. De auteur definiëren er tien. Eén van de essentiële taken van de projectleider is het tot stand brengen van een “lerend netwerk”. Dat impliceert een variatie aan professionele achtergronden, leeftijden en ervaringen. Een kwalitatief netwerk speelt een belangrijke rol in de kennisontwikkeling en ideeënvorming, maar heeft daarnaast ook macht en invloed.
De auteurs geven toe dat het in de praktijk niet meevalt om dergelijke grensoverschrijdende samenwerkingen tot stand te brengen en constructief te laten samenwerken. Men heeft immers vlug de neiging om terug te plooien in het eigen referentiekader, terwijl bij systeeminnovatie bestaande verhoudingen tussen en binnen instituties doorbroken worden. Er is sprake van verschuivingen in bestaande routines en veronderstellingen. Daarom is het tevens belangrijk dat er bij een systeeminnovatie heel precies gekeken wordt naar de bestaande verhoudingen en naar de krachten die spelen. Wie aan een systeeminnovatie werkt zonder die krachten te kennen en zonder een duidelijk inzicht aan welke verhoudingen beter niet of niet meteen geraakt wordt, dreigt op termijn vast te lopen.
Hoe dan ook zijn de lessen, getrokken uit de besproken projecten, zeer nuttig en toepasbaar in bedrijfscontext. En daarom is “Werken aan systeeminnovaties”, hoewel niet zo bedoeld, een boeiend HR-boek.
|
 |
 |
|
|

 |
| Gedragspatronen van personen en organisaties |
|
|
|
  |
| |
 |
|
Auteur: Rudy Vandamme |
| |
Uitgeverij:Pearson Education, 2007 |
| |
ISBN:978 90 430 1417 5 |
| |
Prijs:23,54 euro |
| |
 |
“Gedragspatronen van personen en organisaties” is tegelijkertijd een praktisch en filosofisch georiënteerd boek. Auteur Rudy Vandamme benadert het begrip “patroon” als een observeerbare ordening en gaat dus breder dan de psychologische visie, die de term in het kader van conditionering, psychoanalyse en problemen plaatst. De auteur noemt dit “een gemiste kans voor iedereen die zich bezighoudt met zelfontwikkeling, verandermanagement en hulpverlening.” Hij omschrijft een gedragspatroon als een duurzame herhaling, een soortspecifieke verwantschap of samenhang van gedragingen die herkend wordt en kenmerkend is voor het functioneren van een persoon of organisatie. Patronen dragen betekenis in zich en zeggen onder meer iets over de manier waarop we waarden, overtuigingen en zelfbeeld in ons gedrag duidelijk maken, zowel op individueel niveau als op het niveau van de organisatie.
Volgens hem vormen patronen een interessant instrument voor human resources: het herkennen en inzetten van patronen versnelt het proces van leren en ontwikkelen aanzienlijk, want dat wordt gemakkelijker als je weet welke patronen je functioneren kenmerken en welke je moet toepassen om vooruitgang te boeken. Processen, waarden en visies worden op die manier in concrete handelingen vertaald. Leidinggevenden kunnen veel beter op hun medewerkers inspelen als ze hun gedragspatronen bewust kunnen benoemen en bespreekbaar maken. In werving en selectie gaat het over het verkrijgen van waardevolle kennis over sollicitanten - gedragspatronen hebben immers een sterk voorspellende waarde, omdat ze ingebed zijn in de identiteit. Bij veranderingsprojecten kan de toepassing van bepaalde patronen het proces stimuleren of juist afremmen.
In het boek besteedt de auteur in eerste instantie nogal wat aandacht aan theoretische en filosofische omkadering: wat zijn patronen nu precies? Welke soort patronen kunnen we onderscheiden? Daarnaast is het boek ingedeeld volgens methodebenaderingen van patronen: de methode om patronen van medewerkers of cliënten in kaart te brengen, de methode om patronen in te zetten zoals een expert dat doet, de methode om hardnekkige patronen in beweging te brengen en de methode om het geheel waartoe je behoort, te veranderen. Tekens koppelt de auteur daarbij inzichten en visie aan concrete toepassingen. Zo kan het in kaart brengen van patronen nuttig zijn in functionerings- en rekruteringsgesprekken, voor managers om de typerende kenmerken van eigen organisatie te doorgronden, enz. Hij waarschuwt tegelijkertijd dat de weg van geleidelijkheid daarbij van groot belang is. Het gevaar om te snel te veralgemenen is immers reëel. Af en toe werkt de auteur een zeer concrete en bruikbare toepassing uit, zoals bijvoorbeeld het verloop van een sollicitatieprocedure in functie van het herkennen van patronen.
Opmerkelijk is het hoofdstuk over het “ontwerpen met patronen”, waarin de auteur patronen hanteert als inzetbare actie om resultaten te boeken. Ontwerpen met patronen biedt helderheid, vindt de auteur, zo bijvoorbeeld bij het hanteerbaar en herkenbaar maken van een abstract mission statement. Door een patroon in te zetten, definieert men een geheel van onafhankelijke acties die samen een sterk geheel vormen. Patronen inzetten gaat echter over meer dan een reeks goedbedoelde acties. Er is ook een set van kenmerkende gedragingen aan gekoppeld. Zo omvat het “patroon sporten” meer dan drie keer per week naar de fitness gaan: het veronderstelt vooral aandacht hebben voor en plezier hebben aan lichaamsbeweging en een gezonde levensstijl.
Patronen kunnen ook hardnekkig zijn en noodzakelijke verandering in de weg staan. Toch kunnen ook die patronen in beweging gebracht worden. De auteur onderscheidt daartoe liefst vijftien methoden waaruit er enkele gecombineerd kunnen worden om een patroon in beweging te krijgen. Volgens de auteur is op die manier een “shortcut” naar verandering mogelijk, die veel sneller maar even efficiënt resultaat biedt dan langdurige trajecten en diepgaande therapieën.
Bepaalde toepassingen uit “Gedragspatronen van personen en organisaties” zijn zeer bruikbaar in bedrijfs- en HR-context, maar de grote waarde van het boek situeert zich vooral in de inzichten die de auteur meegeeft, die geregeld tot reflectie aanzetten. En dat vormt de basis van elk degelijk leer- en veranderingsproces. Een boek dat daarin slaagt, verdient gelezen te worden.
|
 |
 |
|
|

 |
| Kus de visie wakker - organisaties energiek en effectief maken |
|
|
|
  |
| |
 |
|
Auteur: Hans van der Loo, Jeroen Geelhoed en Salem Samhoud |
| |
Uitgeverij:Academic Service, 2007 |
| |
ISBN:9778 90 5261 582 0 |
| |
Prijs:29,95 euro |
| |
 |
De onnozelheid van de titel (“Kus de visie wakker”) en bijhorende illustratie (een foto van een prins die zich over een sneeuwwitje buigt om haar te kussen) lieten het ergste vermoeden. Gelukkig zetten de auteurs de lezers op het verkeerde been, want het boek heeft wel degelijk meer te bieden dan een geforceerde luchtigheid. Het biedt een grondige benadering van een vaak geciteerd, maar weinig tastbaar thema als “visie”. Naast beschouwingen, praktijkvoorbeelden en adviezen om tot een visie te komen, hanteren de auteurs heel wat wetenschappelijk onderzoekswerk, waar ze niet zelden zelf aan meegewerkt hebben.
De auteurs willen naar eigen zeggen leiders, managers en medewerkers inzicht en inspiratie bieden om “zinorganisaties” te creëren. De aangewezen methode daartoe is het creëren van visie.
De auteurs analyseren grondig de aard en achtergronden van organisatievisies. Ze stellen vast dat visie aan de ene kant een hot item is, maar dat die visie, eenmaal op papier gezet, vaak snel weer verwaarloosd wordt. Ze wijten dat deels aan de spraakverwarring die rond het begrip visie bestaat en aan het feit dat er zelden échte aandacht voor bestaat. De auteurs citeren in dat verband een boutade van een manager: “Veel managers gaan met een visie om zoals veel mannen met hun vrouw. Eerst proberen ze haar op alle mogelijke manieren te versieren, en als dat is gelukt, verwaarlozen ze haar vervolgens schromelijk”. Om visie levend te maken en te houden, is passie nodig, zoniet is wat blijft hangen, louter lucht.
Daarnaast manifesteren zich ook “visievijandige” managementstromingen: het moderne organisatiedenken is doordrongen van rationele denkmodellen en technische beheersingsdrang, met het gevolg dat waarden als emotionaliteit, esthetiek en zingeving onder vuur liggen. Vele managers beschouwen het ontwikkelen van een welomlijnde visie als een nutteloos tijdverdrijf.
De auteurs geloven dat een visie een onmiskenbaar hulpmiddel vormt om in een onzekere en flexibele wereld te overleven. Mensen en organisaties hebben door de snelheid van de economische veranderingen geen vaste koers meer en een visie geeft zowel betekenis (mensen kunnen zich oriënteren en zijn daardoor in staat te begrijpen wat er gebeurt), een streefdoel (dat geldt als een kompas voor het doen en laten) en binding (het verbindt mensen via gemeenschappelijke doelen en waarden).
Na de uitgebreide aanloop over het “wat” en “waarom” van visie, gaan de auteurs in het tweede deel van het boek in op de aanpak en activiteiten die met het ontwikkelen van een vitale visie zijn verbonden. Ze omschrijven visieontwikkeling veeleer als een moeizame expeditie dan als een georganiseerde reis en belichten de fases die zo’n visie-expeditie doorgaans doorloopt. Om visie volledig te ontvouwen zijn betekenisgeving, beleving, bekrachtiging en beoordeling - de auteurs verklaren die termen uitgebreid - nodig. Die aspecten moeten dan in onderling verband tot een eenheid gesmeed worden.
Behalve dat “Kus de visie wakker” zeer gefundeerd is, heeft het als grote verdienste dat het sterk inzoomt op het waarom van visie.
|
 |
 |
|
|

 |
| Loopbaangesprekken - praktijk en theorie van een ervaren loopbaanadviseur |
|
|
|
  |
| |
 |
|
Auteur: Rupert Spijkerman |
| |
Uitgeverij:Thema, 2006 |
| |
ISBN:90 5871 116 1 |
| |
Prijs:19,95 euro |
| |
 |
“Als cliënten nadenken over hun toekomst, komen ze in een ingewikkeld proces terecht waarbij ze rationeel allerlei gegevens met elkaar proberen te verbinden tot een kansrijk scenario voor de toekomst. (...) Zij vragen zich ook af hoeveel risico zij willen dragen en wat de veiligste weg is. Met redeneren komen ze hier niet gemakkelijk uit, vooral omdat ze een belangrijke stap overslaan: eerst dromen, dan plannen maken.” Dit citaat uit “Loopbaangesprekken” van Rupert Spijkerman geeft zeer goed weer waar het in loopbaangesprekken over gaat.
Loopbaangesprekken zijn meer dan ooit een hot item. Een degelijk werk over deze problematiek kan dus een nuttig hulpmiddel zijn. Het boek in kwestie lost op dat vlak de verwachtingen in. Het is een heldere handleiding die de puur theoretische methodieken onderscheidt. De auteur gebruikt weliswaar ook modellen, checklists en dergelijke, maar laat evenzeer de ervaring en het buikgevoel spreken. Een theoretisch kader als ruggensteun is meegenomen, maar verwacht er geen absolute antwoorden en oplossingen van, is zijn devies. Pasklare antwoorden zijn er overigens niet, benadrukt de auteur, en precies dat uitgangspunt maakt zijn boek tot een waardevol werk.
Bij loopbaangesprekken mag de coach opvattingen hebben over wat goed is voor de medewerker/cliënt, maar het is die laatste die zelf keuzes moet maken en richting moet kiezen. Een goede coach is dan ook iemand die zich onbevangen open stelt voor het verhaal van de cliënt en hem van daaruit begeleidt. De cliënt moet zelf met doelen en voornemens op de proppen komen, en de begeleider kan die dan zo concreet mogelijk formuleren, maar mag ze niet zelf bedenken. Een loopbaangesprek houdt in dat een persoon durft te dromen en tezelfdertijd concrete, realistische stappen uittekent om de uiteindelijke doelstelling te bereiken.
De auteur gaat in het boek dieper in op technieken van een goede gespreksvoering en coaching. Opnieuw waarschuwt hij hier nadrukkelijk dat inzicht in de spelregels daartoe niet volstaat. Je kan immers verschillende stijlen van coaching hanteren, maar er is geen theorie die uitlegt welke stijl wanneer het meest aangewezen is. Een coachinggesprek is uiteindelijk een ontmoeting tussen twee mensen, twee persoonlijkheden met hun eigenheden. Daar kunstmatig een bepaalde stijl aan koppelen, kan remmend werken.
Het boek is doorspekt met oefeningen, voorbeelden van lijsten en formulieren (zelfevaluatieformulier, POP-formulier...) die een loopbaangesprek helpen structureren. Maar de relativerende toon tegenover al deze hulpmiddelen en instrumenten, blijft: het gaat in essentie over een vruchtbare ontmoeting en die vindt plaats in de lege ruimte tussen en achter de woorden, besluit de auteur.
|
 |
 |
|
|

 |
|
  |
| |
 |
|
Auteur: Herman Van Den Broeck en Fannie Debussche |
| |
Uitgeverij: Lannoo, 2007 |
| |
ISBN: 978 90 774 3208 2 |
| |
Prijs: 16,95 euro |
| |
 |
Er is de jongste tijd veel te doen rond teamwerk en het belang ervan in het licht van efficiëntie, motivatie, autonomie en jobvariatie. Maar werken met teams heeft heel wat om het lijf en is veel minder vanzelfsprekend dan men op het eerste gezicht zou denken. Er zijn weliswaar voldoende studies die aantonen dat samenwerken loont en een meer heilzame impact heeft op de bedrijfsresultaten dan competitie en/of dan individuele inspanningen. Een te weinig doordachte invoering van en omgang met teams kan echter veel schade berokkenen aan een organisatie. Deze gedachte vormt zowat de insteek van het boek Grootmeester in teamwerk.
De reden voor de toegenomen aandacht voor teamwerk is onder meer het feit dat teams bijdragen tot flexibiliteit, volgens de auteurs één van de grootste vereisten van de moderne maatschappij. Teams worden op maat gemaakt zonder dat het organogram van het grote geheel moet worden hertekend. Ze krijgen de bevoegdheid om binnen de missie van het bredere geheel antwoorden te formuleren. Teams zijn ook bijzonder krachtige instrumenten, benadrukken de auteurs, maar dan moeten ze wel slim samengesteld worden met de juiste complementaire talenten, echte autonomie krijgen en niet met dertien prioriteiten tegelijk bezig zijn, en ze moeten tevens duidelijkheid krijgen over hun doel. Dat zijn dus nogal wat voorwaarden. De auteurs doen verder in het boek uit de doeken hoe men aan die voorwaarden kan voldoen en waarmee men zoal rekening moet houden. Dat ook communicatie hier cruciaal in is, houdt geen betoog: er moet evenveel tijd gaan naar het vastleggen van de aanpak van het teamwerk als naar het definiëren van de doelstelling van het team. De verschillende deeltaken omschrijven en er vooraf voor zorgen dat het geheel mooi samenvalt, is de kern van de duidelijke werkwijze, leggen de auteurs uit.
Dit alles kan mee bijdragen tot de samenhang van het team, en die samenhang heeft een positieve invloed op de prestaties. Wie de samenhang wil aanscherpen via een teambuilding, zou er echter kunnen aan zijn voor de moeite: teambuilding leidt niet tot een hechter team, zo blijkt. Deze bijna zijdelingse opmerking in het boek stemt tot nadenken.
Maar hoe introduceer je nu teamwerk in een organisatie? Waar let je op? De auteurs geven op die vragen uitgebreide praktische adviezen, die heel vaak gestoeld zijn op wetenschappelijk onderzoek en nooit de indruk geven dat de lezer een handleiding van een Ikea-kast onder de neus wordt geschoven.
Bij de samenstelling van een team moeten heel wat afwegingen worden gemaakt, onder meer of men veeleer neigt naar een sterke coördinatie dan wel veeleer opteert voor zelfsturende teams. Kostenbesparingen kunnen nooit een gezonde basis vormen voor de invoering van (zelfsturende) teams – al is dat geregeld wel het geval. De auteurs gaan grondig in op de principes en de voorwaarden van efficiënte zelfsturende teams. Verder in het boek analyseren ze de teamsamenstelling en de diverse stijlen van de teamleden, waaronder de expert (grondige analyse), de realisator (praktische uitwerking), de gangmaker (speels, enthousiast), de uitvinder (brede visie, creatief), de raadgever (advies geven, volledigheid), de doordrijver (ambitieuze plannen, resultaatgericht). Al die stijlen hebben hun sterke en zwakke punten. Het komt erop aan om voor elke stijl die bepaalde rol te vinden die het best rendeert.
Maar als het rendement van een team betreft, kan de bedrijfsleiding al eens onrealistisch over de brug komen. Die overtrokken verwachtingen vormen volgens de auteurs één van de grote valkuilen bij teamwerk. Dat werkt uiteraard contraproductief en fnuikt de motivatie. Combineer dat met te weinig middelen en onderbemanning en je krijgt een dodelijke cocktail van bij de aanvang.
Teams kunnen aan de andere kant ook te hecht worden. Signalen die daarop wijzen zijn onder meer: enkel praten over hoe goed men wel is, een zeer sterk gevoel van ‘wij’ tegen ‘de anderen’, het goedpraten van slechte prestaties, nieuwkomers moeten zich volledig aanpassen of worden niet aanvaard, een sterke relatiegerichtheid bij de teamleden in plaats van een taakgerichtheid,…
Maar teamwerk mag dan al vrij complex zijn, het wordt nog moeilijker wanneer er sprake is van virtuele teams, waar mensen niet fysiek samenwerken en elkaar zelden ontmoeten. Toch kan ook daar vertrouwen groeien, al is dat dan wel op een andere manier dan in “gewone” teams. De auteurs besteden in het boek een apart hoofdstuk aan die virtuele teams en hoe die sterk te laten functioneren.
“Grootmeester in teamwerk” belicht de misschien wel volledige waaier aan aspecten die van belang zijn bij het invoeren en/of goed beheren van teamwerk en combineert daarbij voortdurend wetenschappelijke fundering met visie en praktische adviezen.
|
 |
 |
|
|

 |
| Creatief ondernemen – Ondernemers over hun bedrijfsgeheim |
|
|
|
  |
| |
 |
|
Auteur: Karel Cambien, Dirk Van Thuyne, Herman Van Waes, e.a |
| |
Uitgeverij: Roularta, 2007 |
| |
ISBN: 978 90 8679 063 0 |
| |
Prijs: 19,90 euro |
| |
 |
Boeken met verhalen van mensen “van bij ons” zijn doorgaans dankbaar: de sterke herkenbaarheid zorgt ervoor dat de mogelijkheid dat je er bruikbare elementen uit haalt, groter is dan wanneer men er de bevlogen ideeën van één of andere nieuwe managementgoeroe op naleest.
Met “Creatief ondernemen” heeft Unizo, initiatiefnemer van het boek, dat goed begrepen: de vereniging voor zelfstandige ondernemers bracht enkele verhalen van bedrijfsleiders bijeen, bovendien rond een thema dat brandend actueel is: creatief en innovatief ondernemen.
Een ondernemer heeft twee mogelijkheden: of hij concurreert door een prijzenslag aan te gaan (een slagveld dat propvol zit en waar dus maar weinig eer, laat staan voordeel te rapen valt) of hij streeft naar een unieke meerwaarde om op die manier de concurrentie te slim af te zijn.
De bedrijfsleiders die aan bod komen, zijn van alle slag: fotografen, bakkers met enkele mensen in dienst, tot zaakvoerders van meer dan uit de kluiten gewassen bedrijven. Eén van die grote ondernemingen én een fraai voorbeeld van creatief ondernemen, is radiatorenfabrikant Jaga uit Diepenbeek. Zaakvoerder Jan Kriekels gelooft dat creativiteit een stuk aangeleerd kan worden, maar stelt tegelijkertijd vast dat er in de maatschappij te weinig aandacht voor bestaat. Nochtans ziet hij juist daar voor België – een land zonder grondstoffen en energiebronnen – een troef. In zijn personeelsbeleid krijgt de creativiteit extra aandacht: er wordt bewust een samenspel gestimuleerd tussen de “masters” (de creatieve geesten, de ontwerpers) en de andere medewerkers, die net zo goed van belang zijn, aangezien zij in staat zijn om die ideeën in een concrete vorm te gieten. Daarnaast heeft Kriekels ook een experimenteel lab in het leven geroepen. Daar komen mensen van uiteenlopende pluimage bijeen, ook en vooral van buiten het bedrijf. De mix van ideeën die daar tot stand komt, leidt bijna altijd tot nieuwe dingen, ervaart Kriekels.
Het Jaga-verhaal is slechts één uit een hele reeks getuigenissen waaruit telkens toch wel wat frisse ideeën kunnen worden opgepikt. Die verhalen worden als het ware gesublimeerd in een meer theoretisch en algemener hoofdstuk van de hand van Martine Van Remoortele, voorzitter van het Centrum voor Creatief denken. Ook zij vertrekt van de idee dat we als creatievelingen geboren worden, maar naarmate we meer kennis opdoen en ons inpassen in de samenleving, ebt die creativiteit steeds meer weg. Het komt er dus op aan om de creativiteit opnieuw naar boven te halen. Dat hoeft niet te betekenen dat we met grootse en wereldvreemde denkpistes moeten bezig zijn. Ook in het organiseren van de eigen taken kan men creatief zijn. Van Remoortele tekent een profiel van de creatieve ondernemer en geeft daarnaast nog diverse tips “voor het dagelijks gebruik voor meer bedrijfscreativiteit.”
“Creatief ondernemen” heeft alvast de grote verdienste dat het de pleidooien voor meer innovatie en creativiteit die politici en werkgevers zo graag in de mond nemen, eindelijk eens een zeer concrete vorm en een gezicht geeft.
|
 |
 |
|
|

 |
|
  |
| |
 |
|
Auteur: Johan Lourens en Ivo Brughmans |
| |
Uitgeverij: Kluwer, 2007 |
| |
ISBN: 978 90 4651 188 6 |
| |
Prijs: 58,25 euro |
| |
 |
“HR Nieuwe Stijl” is een wat misleidende titel. De aspecten die in het boek worden belicht, zijn immers lang niet zo nieuw meer: het werk beschrijft uitvoerig wat concepten als HR business partner, HR-IT, HR-shared Services en HR-outsourcing betekenen en welke emotionele en politieke processen zich manifesteren bij de toepassing ervan.
Maar hoewel de auteurs, beide actief bij de PA Consulting Group, niet veel nieuws vertellen, hebben ze wel een werkstuk gecreëerd dat de moeite waard is, zeker voor mensen die nieuw zijn in het HR-vak. Het boek schetst namelijk een goed en zeer gedocumenteerd beeld van de evolutie waar het HR-management de jongste jaren mee te maken krijgt. De auteurs geven in eerste instantie een schets van de positie van de HR-functie. Daaruit blijkt dat HR zich nogal schrap moet zetten om au sérieux genomen te worden: HR is maar in beperkte mate (of niet) betrokken bij de bedrijfsstrategie, weinig organisaties zijn bezig met het uittekenen van de kwalitatieve en kwantitatieve personeelsformatie die nodig is, er worden HR-taken uitbesteed, maar de discussies over wat men beter zelf doet en wat niet, leiden zelden tot duidelijke aflijningen, enz. Wie als HR een business partner wil worden, zal er dan ook moeten voor zorgen dat relevante HR-aspecten worden meegenomen in de gehele strategieontwikkeling van de organisatie en moet onder meer in staat zijn om de bedrijfsstrategie te vertalen naar een HR-beleid.
Een degelijke structuur en organisatie van de HR-functie zelf, kan daar een eerste stap toe vormen. De auteurs besteden in het eerste deel van het boek zeer veel aandacht aan die vormgeving van HR.
In het tweede deel concentreren ze zich op HR-informatietechnologie. De auteurs voerden zelf onderzoek naar de verwachtingen en doelstellingen van de invoering van HR-IT. De drie belangrijkste redenen blijken het verbeteren van de HR-managementinformatie, het samenhangend toepassen van HR-processen en het verbeteren van de kwaliteit van de service van de HR-afdeling. Opmerkelijk is dat kostenreductie pas op de vijfde plaats komt. In het boek worden de voordelen, maar ook valkuilen van een HR-informatisering grondig toegelicht. De eerste vereiste om zo’n project te doen slagen, is een scherp afgelijnde visie op de HR-organisatie, die het uitgangspunt moet vormen, en niet, zoals vaak, de systeemmogelijkheden van de leverancier.
Met dezelfde grondigheid worden in deel drie shared service centers en in deel vier HR-business process outsourcing onder de loep genomen: wat houdt het in, waarom past men het toe en waarmee moet men rekening houden bij de implementatie? Telkens leggen de auteurs de nadruk op inhoudelijke argumentatie. Men moet met andere woorden een doel voor ogen hebben voor men dergelijke ingrijpende veranderingen doorvoert. Wie vooral uit kostenbesparende motivatie handelt, dreigt in alle opzichten bedrogen uit te komen.
|
 |
 |
|
|

 |
| Humaan ontslaan?! – Over de noodzakelijke humanisering van ontslagprocessen in arbeidsorganisaties |
|
|
|
  |
| |
 |
|
Auteur: Frans Wuijts |
| |
Uitgeverij: Het Spinhuis, 2007 |
| |
ISBN: 978 90 5589 282 2 |
| |
Prijs: 37,50 euro |
| |
 |
Ontslag is een zeer ingrijpende gebeurtenis in het leven van mensen. Het is bijna te vergelijken met het verlies van iemand die u dierbaar is door overlijden, echtscheiding,…Aan de andere kant hoeft ontslag niet als een ramp beschouwd te worden. Het kan net zo goed een zegen zijn. Het boek behandelt die uitersten en zoekt tevens naar de gulden middenweg ertussen. Het biedt een ontwikkelingsgerichte kijk op het ontslag van medewerkers. Het focust bijgevolg ook op loopbanen en competenties. Hoewel ook juridische aspecten in beperkte mate aan bod komen, benadert het de thematiek vooral vanuit een veeleer filosofische invalshoek. Het gaat over de betekenis van ontslag voor de duurzame ontwikkeling van mensen gedurende hun werkzame leven.
De auteur gaat in het boek ook grondig in op het stakeholdersmodel tegenover het shareholdersmodel en het zogenaamde Rijnlandmodel – dat de ongelijkheden die de vrije markt creëert en stuk corrigeert - tegenover het Angelsaksische model. De discussie over de wenselijkheid van de modellen is complex en heeft al geleid tot allerlei varianten, waarvan het Scandinavische en het Nederlandse Poldermodel de bekendste zijn.
Uiteraard krijgt de ontslagbenadering in de bespreking van die modellen extra aandacht. Angelsaksisch georiënteerde werkgevers beloven een groeiende werkgelegenheid als ze van de overheid de ruimte zouden krijgen om werknemers gemakkelijker te ontslaan. Dergelijke discussies over het versoepelen van het ontslagrecht steken geregeld de kop op. De argumentatie van de bedrijfswereld dat dit zou leiden tot meer werkgelegenheid, wordt niet alleen door de vakbonden, maar evenzeer door nogal wat economen en wetenschappers tegengesproken. De auteur laat de verschillende stellingen uitgebreid aan bod komen.
Daarnaast maakt hij duidelijk dat dit gepolariseerde debat grotendeels voorbijgaat aan de kernvraag bij “humaan ontslag”, namelijk wat er nodig is voor iemand die van baan moet veranderen. In plaats van te discussiëren over de hoogte van ontslagvergoedingen en ontslagtermijnen, zou men beter werken aan een nieuwe mentaliteit bij alle betrokkenen die onder meer investeren in een soepele overgang naar een nieuwe werkkring en in een gezond aanbod van loopbaanontwikkeling.
De auteur stelt verder in het boek een “Ontslagleidraad” voor, naar analogie met de “Sollicitatiecode” die de Nederlandse werkgeversorganisatie NVP heeft ontwikkeld – de auteur is Nederlander en zijn referentiekader vertrekt dan ook vaak, maar niet altijd, vanuit die context. Als er een code bestaat en gerespecteerd wordt die bepaalt binnen welke krijtlijnen medewerkers worden gerekruteerd, geselecteerd en aangeworven, is het niet meer dan logisch dat ook voor ontslag gedragsregels gelden, vindt de auteur. Hij liet twee studenten een studie uitvoeren naar de wenselijkheid van een dergelijke leidraad en biedt de lezers een uitgebreid verslag van dat onderzoek. Via de analyses wordt een soort “voorwaardenscheppend kader” uitgetekend.
“Humaan ontslaan?!” is een waardevol werkstuk dat aanzet tot reflectie.
|
 |
 |
|
|

 |
| De innovatiekracht van ideeën |
|
|
|
  |
| |
 |
|
Auteur: Isaac Getz en Alan G. Robinson |
| |
Uitgeverij: Kluwer, 2007 |
| |
ISBN: 978 90 4650 900 5 |
| |
Prijs: 8,25 euro |
| |
 |
Innovatiekracht wordt de jongste jaren te pas en te onpas naar voren geschoven als hét element waarmee het bedrijfsleven in West-Europa kan concurreren met de nieuwe Oosterse economieën. In die context is het boek “De innovatiekracht van ideeën” dan ook goed getimed. Tegelijkertijd is de scepsis die de auteurs indirect tegenover dat innovatiecredo uiten eveneens op zijn plaats: hoewel vele bedrijfsleiders en managers innovatie graag in de mond nemen, blijkt het in de praktijk absoluut niet zon vaart te lopen met het stimuleren en kanaliseren van de ideeën van de werknemers. Want als er voor de auteurs één zaak duidelijk is, dan is het wel dat innovatiekracht niet kan ontwikkelen in een ivoren toren, maar wel op de werkvloer. De mensen op de werkvloer zijn immers de enigen die constant in contact staan met de markt en de klanten. Als er ergens een fout wordt gemaakt, zijn ze ook de eersten die de gevolgen daarvan ervaren. Ze staan bijgevolg in de beste positie om een groot deel van de problemen op te lossen.
De auteurs komen bovendien, aan de hand van literatuurstudie, tot de conclusie dat vooral de diversiteit van voldoende kennis op een veelheid aan domeinen bijdraagt tot het ontstaan van geniale ideeën en veel minder de gespecialiseerde expertise op één bepaald domein. Dat komt omdat er onverwachte verbanden gelegd kunnen worden.
Maar hoewel werknemers vaak de eersten zijn die oplossingen vinden voor problemen, wordt dat potentieel aan ideeën zelden grondig benut. Volgens de auteurs is er dan ook een instrument nodig – een “ideeënmanagementsysteem” of IMS – dat suggesties stimuleert, ideeën kanaliseert en waardeert. De auteurs zetten uitvoerig uiteen hoe zo’n systeem efficiënt kan werken. Ze geven ook praktijkvoorbeelden van bedrijven die een vorm van IMS hanteren en daar duidelijk voordeel uit halen. De sleutelelementen van een goed IMS zijn een grondige benchmarking, een simpel en snel proces voor de behandeling van ideeën, volledige betrokkenheid van het lijnmanagement en directie en de honorering van ideeën.
Met die honorering moet echter omzichtig worden omgesprongen: als er een rechtstreekse financiële beloning gekoppeld wordt aan een verbeteridee van een medewerker, dreigt dat de creativiteit op termijn te fnuiken. Dat kan er immers toe leiden dat de medewerkers niet meer in functie van creatieve verbeteringen denken, maar in functie van wat het hen eventueel kan opleveren. Ze verwijzen in dat verband tevens naar een psychologisch experiment met puzzels. Dat toont aan dat de mensen die een beloning verwachten als ze het goed doen, kiezen voor gemakkelijke puzzels en zij die dat niet doen, veeleer voor moeilijke puzzels opteren. Rechtstreekse beloning doodt de innovatiegeest, is de conclusie.
“De innovatiekracht van ideeën” verschijnt in de reeks “HRM-themaboek”. De kwaliteit van die publicaties varieert van ronduit schabouwelijk tot zeer degelijk. Het boek in kwestie behoort duidelijk tot de laatste categorie.
|
 |
 |
|
|

 |
| Strategies of the Serengeti |
|
|
|
  |
| |
 |
|
Auteur: Stephen Berry |
| |
Uitgeverij: Neos Publishing, 2006 |
| |
ISBN: 978 095534980 x |
| |
Prijs: 48 euro |
| |
 |
“Strategies of the Serengeti” gaat over de dierenwereld én over het bedrijfsleven. De grens is dunner dan men denkt. De “Serengeti” is een gigantisch gebied dat een deel van Kenia en Tanzania omvat en een gevarieerde populatie van fauna en flora omvat: savanne wordt er afgewisseld met meren, riviertjes, moeras- en bosrijk gebied. De term is een afgeleide van een woord van de Maasai en betekent “het land dat voortdurend verandert”. Hetzelfde zou men over de hedendaagse economie kunnen zeggen.
De dierenpopulatie heeft, afhankelijk van de soort, eigen strategieën ontwikkeld om te overleven. Auteur Stephen Berry weet hoe het leven in de Serengeti zijn gang gaat en vindt dat het bedrijfsleven daaruit kan leren. Dieren verstaan immers de kunst om hun sterkten uit te spelen en hun kwetsbare kanten zo weinig mogelijk bloot te stellen aan gevaren. De auteur selecteerde enkele dieren en analyseerde hun gedrag om aan de hand daarvan telkens één element dat van cruciaal belang is voor bedrijfsstrategie uit te lichten en grondig uit te bouwen. Niet altijd is dat even geslaagd, maar meestal slaagt de auteur er wel in om parallellen aan te tonen tussen gedrag van dieren in de Serengeti en bedrijfsstrategie. Een fraaie illustratie daarvan is de analyse van het gedrag van de zebra’s. Daar gaan we even dieper op in.
De sterkte van die vrij kwetsbare diersoort bestaat erin om gevaren op verschillende manieren te benaderen. Die strategie omschrijft de auteur aan de hand van de “five F’s”: fight, flight, flock, freeze, frolic. Fight, of vechten: zebra’s zijn niet meteen vechtersbazen, maar weten goed in te schatten wanneer ze een tegenstander aankunnen. In dat geval durven ze er ook mee in de clinch gaan. Volgens de auteur zullen de dieren nooit een tegenstander te lijf gaan die ze niet aankunnen. In dat geval gebruiken ze een andere strategie. Hij vindt dat het bedrijfsleven daaruit kan leren, omdat daar de eerste reactie juist wel het “gevecht” is, zonder dat men eerst een grondige analyse maakt van de situatie. Dat doet de zebra dus wel.
Vluchten (flight) lijkt in de bedrijfswereld weinig strategisch, maar soms is het dat wel en getuigt het van moed. De auteur geeft geregeld uitgebreide praktijkvoorbeelden bij zijn stellingen – in dit geval belicht hij Carrefour, dat in de jaren ’70 zich terugtrok uit Groot-Brittannië, omdat die markt nog geen ervaring had met de ‘warenhuiscultuur’ en daar ook niet klaar voor was. Men zag dus in dat men bezig was zijn tijd te verliezen.
‘Flock’, samentroepen, verwijst in bedrijfstermen natuurlijk naar fusies en overnames. Berry wijst erop dat dergelijke operaties echter gepaard moeten gaan met een langetermijnvisie en dat de verschillende delen van het geheel er beter moeten van worden. Zoniet werkt het ‘flockprincipe’ niet. Zebra’s gebruiken in die context hun zeer kenmerkende uiterlijk: bij gevaar troepen ze bij elkaar, waardoor de aanvaller tussen de verzameling strepen vaak moeilijk nog een specifiek dier kan identificeren.
Even halt houden en de tijd nemen om de situatie te overzien (‘Freeze’), is ook een strategie waarzebra’s onderlegd in zijn. Zo’n freeze-moment mag nooit lang duren, maar biedt wel de tijd om een juiste beslissing te nemen. Als je vlucht, weet je immers beter ook welke kant uit. Zebra’s weten dat, als het gevaar uit het noorden komt, dat niet noodzakelijk betekent dat er in het oosten geen gevaar dreigt. De eerste bedreiging kan een afleidingsmanoeuvre zijn om de aandacht af te houden van de tweede, grotere bedreiging. Onder meer leeuwen staan ervoor bekend dergelijke jachtstrategieën te hanteren. Zebra’s weten dat en handelen dus zelfs in crisissituaties doordacht. De auteur koppelt hier een zeer uitvoerig en interessant verhaal aan over de concurrentiestrijd tussen Coca-Cola en Pepsi en hun positionering in de Arabische wereld.
De vijfde “F”, frolic, kan men bezwaarlijk een strategie noemen: het verwijst naar het ongeordend door elkaar lopen van de dieren als ze de bedreiging niet degelijk kunnen inschatten. Er beweegt dus veel, maar eigenlijk verandert er niets. In de bedrijfswereld zien we eveneens dergelijk gedrag: ondernemingen die het moeilijk hebben, gaan vaak over tot een reorganisatie en/of een vervanging van de bedrijfstop, terwijl er in essentie niets wijzigt.
Na de zebra’s passeren nog een respectabel aantal andere dieren de revue, telkens met een vertaalslag naar de ondernemerswereld. “The Strategies of the Serengeti” is een boeiend boek, dat de lezer op een originele manier laat reflecteren over bedrijfsmanagement, en passant enkele methodieken uit de doeken doet en heel wat leuke wetenswaardigheden bijbrengt over de dierenwereld. Stephen Berry gaat daarbij bijzonder grondig te werk en laat zich nergens verleiden tot nattevingerwerk.
|
 |
 |
|
|

|
|
|